Opinie

Werk moet lonen voor iedereen die in de bijstand gevangen zit

Armoedeval

Commentaar

Het kan dus wel. Voor het eerst sinds midden jaren tachtig is het de overheid gelukt een set maatregelen te treffen die daadwerkelijk een gedeeltelijk einde maakt aan een langjarig en vooral hardnekkig probleem: de armoedeval. Uit cijfers van Divosa, de club van directeuren van Sociale Diensten, blijkt dat het aantal alleenstaande ouders in de bijstand sinds eind 2014 fors is afgenomen. Hun aantal daalde volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek van 87.000 naar 72.000, hetgeen de gezamenlijke gemeenten een besparing van 200 miljoen euro op de uitkeringen opleverde.

Belangrijker nog is dat alleenstaande ouders die soms al jarenlang vastzaten in de bijstand, nu weer het perspectief op een beter bestaan hebben. Door te werken, en doordat dat werk ook daadwerkelijk een hoger inkomen oplevert dan de uitkering, is er een prikkel gekomen voor mensen om zelf actief het vangnet dat de bijstand is daadwerkelijk achter zich te laten. Zo hoort het te zijn.

Het probleem was jarenlang dat bijstandsgerechtigden die een parttime baan accepteerden die inspanning niet of nauwelijks beloond zagen met een hoger inkomen. Dit fenomeen, de zogenoemde armoedeval, werd veroorzaakt door een opeenstapeling aan regels die bij het hebben van een bijstandsuitkering hoorden. Gemeenten hadden aanvullende maatregelen, de fiscus gaf extraatjes aan bijstandsgerechtigden plus een aantal specifieke regelingen gericht op alleenstaande ouders in de bijstand maakten dat werken niet loonde. Sterker nog: alleenstaande ouders die uit de bijstand wilden geraken, gingen er soms tot 1.000 euro per jaar op achteruit als zij gingen werken.

Als gevolg van de economische crisis liep het aantal bijstandsgerechtigden tussen 2008 en 2015 snel op. Onder Rutte I maakte toenmalig minister van Sociale Zaken Henk Kamp (VVD) in 2012 een begin met het afschaffen van een aantal verstorende regelingen. Het was zijn opvolger Lodewijk Asscher (PvdA) die onder Rutte-II de stappen zette die nu tot het gewenste resultaat leiden: hij bracht het aantal kindregelingen, die zwaar aantikten in de armoedeval, terug van twaalf naar vier.

In plaats daarvan kwamen er maatregelen die het voor alleenstaande ouders in de bijstand aantrekkelijker zouden moeten maken om aan het werk te gaan. Doel was om werken lonender te maken, zowel voor parttimers als voor mensen die helemaal uit de bijstand wilden komen.

Het aantal alleenstaande ouders in de bijstand nam dus af, en dat terwijl het aantal bijstandsuitkeringen aan alleenstaanden en paren verder doorsteeg. De claim dat de afname te maken heeft met de aanpak van de regelingen, lijkt dus terecht.

De conclusies van Divosa zijn bemoedigend, vooral ook omdat inmiddels is aangetoond dat wie parttime werkt sneller uit de bijstand stroomt dan mensen die geen betaald werk verrichten. Maar het is nog onvoldoende. Zo'n 350.000 bijstandsgerechtigde paren en alleenstaanden zonder kinderen zitten nog steeds vast in de armoedeval.

Lees ook: Help mij de bijstand uit

Nu twee kabinetten Rutte van verschillende samenstelling hebben laten zien een weg te hebben gevonden uit deze demotiverende situatie, is het aan Ruttes derde kabinet om vervolgstappen te zetten. Asschers opvolger zou er goed aan doen te kijken naar een verdere herziening, in samenspraak met de fiscus.

Werk moet lonen, niet alleen voor de spreekwoordelijke bijstandsmoeders, maar voor iedereen die bereid én in staat is een poging te doen de bijstand te verlaten.