Werk en bijstand: het blijft lastig

Arbeidsmarkt Parttime werk kan een uitweg bieden uit de bijstand. Maar het is ook ingewikkeld en nog geen 10 procent van de bijstandsgerechtigden doet het.

Izabela met twee van haar drie zoons in een speeltuin. Na lang in de bijstand gezeten te hebben heeft zij nu werk.
Izabela met twee van haar drie zoons in een speeltuin. Na lang in de bijstand gezeten te hebben heeft zij nu werk. Foto Merlin Daleman

Bijstandsgerechtigden die parttime werken, al is het maar een paar uur per week, verlaten drie keer vaker de bijstand dan mensen die volledig van hun uitkering leven. Dat heeft een simpele reden: collega’s zijn het netwerk voor een nieuwe baan, parttime werken kan een opstap zijn naar meer uren, bezig zijn geeft zelfvertrouwen. En toch heeft slechts 8,3 procent van de bijstandsgerechtigden een parttime baan, concludeerde stichting Divosa deze week in het rapport Parttime werk in de bijstand, gebaseerd op eigen onderzoek. De stichting ondersteunt gemeenten bij het uitvoeren van sociaal beleid.

Dát mensen er vanuit de bijstand voor kiezen in deeltijd te gaan werken, is best moedig te noemen, schrijft Divosa. Je krijgt te maken met veranderende toeslagen, ingewikkelde technieken om inkomsten te verrekenen, brieven met terugvorderingen en een inkomen dat niet altijd even goed te voorspellen is. Deze mensen „stappen op een wiebelbootje”.

Voor alleenstaande ouders kwam daar vóór de invoering van de Wet hervorming kindregelingen in 2015 nog het verlies van allerlei toeslagen bij. In deeltijd aan het werk gaan was helemaal niet aanlokkelijk, omdat ze dan al snel te veel verdienden. In de nieuwe wet werd het aantal toeslagen voor alleenstaande ouders daarom teruggebracht van elf naar vier. En voor wie parttime wil en kan werken, werd dat fiscaal aantrekkelijker gemaakt.

Sindsdien is het aantal alleenstaande ouders in de bijstand inderdaad fors afgenomen, tussen begin 2015 en midden 2017 net 5 procent, zag Divosa. Ter vergelijking: het aantal alleenstaanden zonder kinderen met een bijstandsuitkering steeg in dezelfde periode met 9 procent.

Aantal alleenstaande ouders in de bijstand neemt af Grafiek Fokke Gerritsma

Precieze aantallen rapporteert de stichting niet, maar volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek hield de trend aan. In november 2014, vlak voor de nieuwe wet van kracht werd, telde Nederland zo’n 87.000 alleenstaande ouders in de bijstand. In februari 2019: 72.500.

Financiële prikkel

Je kunt daaruit, voorzichtig, concluderen dat mensen een financiële prikkel nodig hebben om alle hordes van het parttime werken in de bijstand te nemen. Dat, wanneer ze al die ingewikkelde brieven met terugvorderingen niet krijgen, de stap naar werk gemakkelijker te maken is. En dat mensen die stap eerder nemen wanneer ze ervoor worden beloond.

Maar Pierre Koning, hoogleraar sociale zekerheid aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, waarschuwt voor zo’n snelle gevolgtrekking. „Zulke prikkels hebben alleen effect als álle lichten op groen staan.”

Want wat waarschijnlijk heeft meegespeeld bij de daling vanaf 2015, is de krappe arbeidsmarkt. Het werd voor alleenstaande ouders in de bijstand niet alleen aantrekkelijker gemaakt om werk te zoeken, werk vínden was in de aantrekkende arbeidsmarkt na de crisis ook gemakkelijker.

In economisch slechtere tijden kan het anders uitpakken. Zo was Koning tussen 2009 en 2011 betrokken bij een experiment in dertien Nederlandse gemeenten, waaruit bleek dat maatregelen als het verruimen van de inkomensgrens met behoud van de bijstand nauwelijks effect hadden op het aantal alleenstaande ouders in de bijstand. Aandacht en intensieve begeleiding bleken op dat moment veel beter te werken dan financiële prikkels.