Carine Bijlsma volgde voor ‘Devil’s Pie’ soulzanger D’Angelo bijna drie jaar lang.

Documentaire over D’Angelo: van sekssymbool tot kluizenaar – en terug

Carine Bijlsma De aanbeden Amerikaanse soulzanger D’Angelo is zeer media-schuw. Voor de Nederlandse documentairemaker Carine Bijlsma maakte hij een uitzondering.

‘Veertien jaar afwezig. Wie doet dat nou?”, vraagt soulzanger en multi-instrumentalist D’Angelo zich af in de film Devil’s Pie – D’Angelo. Wel, hij dus. Rijzende ster sinds debuut Brown Sugar in 1995. Maatgevend musicus („de nieuwe Marvin Gaye”) sinds zijn perfecte opvolger Voodoo (2000). Sekssymbool sinds hij met ontbloot bovenlijf in de video van het zwoele ‘Untitled’ broeierig de camera inkeek. Maar ook: raadselachtig genie dat op zijn wereldtournee compleet afknapte omdat hij „zich niet meer wist te verhouden tot de macht van muziek” en nagenoeg compleet verdween van het wereldtoneel.

In 2012 meldde hij zich weer als artiest met een reeks spetterende comebackconcerten in onder meer Paradiso in Amsterdam. Daarna tekende hij met het langverwachte, uitzonderlijke album Black Messiah (2014) voor zijn wederopstanding. Hoe, daar vertelt de film Devil’s Pie meer over.

Lees ook: Na veertien jaar eindelijk nieuwe D’Angelo: luister Black Messiah

De Nederlandse filmmaker Carine Bijlsma (36) maakte eerder films over de klassiekemuziekwereld. Ze volgde D’Angelo voor Devil’s Pie bijna drie jaar en kwam zeer dichtbij. Tijdens zijn wereldtournee laat ze de zanger vertellen over zijn zenuwen en twijfels, zijn geloof en hoe de dood van zijn geliefde oma hem destijds brak.

Bijlsma was al lang een groot bewonderaar van zijn muziek. Ze bezorgde D’Angelo via een van zijn achtergrondzangeressen een brief. Ze schreef hoe ze hem met haar camera op de huid wilde volgen. Hoe ze als dochter van twee klassieke musici, cellist Anner Bijlsma en violiste Vera Beths, wel gewend was aan het muzikantenbestaan. „Music has been my daily bread.” Hij reageerde vijf maanden later. „‘Let’s do this!’ Hij zei te voelen dat ik het wel begreep.”

Vanaf 2014 was ze een fly on the wall bij repetities voor de Black Messiah-tournee. Bijlsma werd, met haar camera meereizend in de tourbussen, zeer close met hem, zijn muzikanten en zijn crew. Ze sprak met muzikanten als Roots-drummer Questlove, bassist Pino Palladino en manager Alan Leeds (voormalig tourmanager van Prince en James Brown). Fraai zijn ook de beelden van de ‘prayers’, gebeden in een kring vooraf aan de shows.

D’Angelo laat weinig mensen dichtbij komen en geeft geen interviews. „Ben je echter eenmaal binnen, dan ga je als vanzelf deel uit maken van de muziekfamilie. Dat hielp me bij het maken van een vooral eerlijk portret.”

Dit is geen film óver D’Angelo, maar vooral mét hem, stelt ze. Hun band was van een broze intimiteit: zonder afspraken met het management, zonder restricties, op basis van gevoel. „Ja, ik vond hem aardig. Open. Kwetsbaar ook. Hij vertrouwde me. Het is daardoor een artistiek document dat het publiek een dichtbij-ervaring biedt. Je staat met hem op het podium, met je neus op zijn muziek. Die insteek beviel hem.”

Wat de zanger in zijn jaren van afwezigheid precies uitvoerde in zijn huis in de bossen van Richmond wordt in Devil’s Pie slechts licht aangestipt. Dat hij verslaafd raakte aan alcohol, veel drugs nam, aankwam en verslonsde, staat wel vast. Ook had hij een ernstig auto-ongeluk met zijn Hummer. Zelf vertelt hij enkel hoe hij zich liet opnemen om af te kicken. Pas in de derde kliniek viel het kwartje.

Lees hier de recensie van ‘Devil’s Pie’

Is de filmmaakster gevraagd niet te veel naar die troebelen te vragen? Nee absoluut niet, onderstreept Bijlsma. „Ik mocht al het materiaal gebruiken dat ik maar wilde. ‘It’s your art’, zei D’Angelo.” Maar de crisisjaren van D’Angelo waren nooit de hoofdlijn voor haar film, zegt ze. „Al in mijn eerste verzoek aan hem schreef ik dat ik me niet wilde focussen op ‘the dirt’. Wat er in die jaren allemaal misging. Mij ging het vooral om vast te leggen wie D’Angelo nu eigenlijk is. En wat de reden zou kunnen zijn van zijn destructieve kant.”

Bijlsma neemt ons daarvoor mee naar Virginia, waar hij opgroeide in de pinksterkerk van zijn grootouders. Op videomateriaal uit het familiearchief is te zien hoe D’Angelo al vroeg uitblonk op de piano. Bovendien bleek hij een uitverkorene te zijn, die aangeraakt was door de Heilige Geest en sprak in tongentaal. In die ervaringen en herinneringen, zoveel maakt Devil’s Pie duidelijk, ligt de kiem van zijn innerlijke conflict. „Zijn spirituele crisis”, aldus Bijlsma.

D’Angelo’s diepgewortelde geloof is desastreus gebotst met zijn nieuw verworven status van een door velen aanbeden superster wiens kleding hem bij concerten letterlijk van het lijf werd gescheurd. De al jong bij hem ingeprente gedachte dat hij duivelsmuziek maakte is altijd in hem blijven woelen. „Hij is altijd op zoek naar balans.”