Opinie

Maar wie controleert de Nationale Inspectie, Pieter?

Snijdt het idee van Pieter van Vollenhoven om alle inspecties samen te voegen en buiten ministerieel toezicht te plaatsen hout? Piet van Reenen vreest een abstracte Nationale Veiligheidsinspectie.

foto Patrick van Katwijk / ANP

Pieter van Vollenhoven is  tachtig geworden. Het kan u niet ontgaan zijn, gezien de tv-interviews. Hij deed ook een publieke oproep met “Oproep van een Waakhond” (2019), een boekje waarin hij voorstelt alle inspecties die zich met de naleving van regels  bezighouden samen te voegen tot één landelijke veiligheidsinspectie. Die zou onafhankelijk moeten zijn, los van ministers, departementen en dus van ministeriële verantwoordelijkheid.

Het is een interessant voorstel, vooral omdat het een bredere denklijn van de jubilaris toont, die hij al volgde bij de Onderzoekraad voor Veiligheid (OVV).  Naar zijn stellige overtuiging moest destijds de OVV, waarvan hij de eerste voorzitter werd, losstaan van ministerieel toezicht. Dat toezicht, zo wist hij uit ervaring, zou de onafhankelijkheid ervan bedreigen.

Onthutsend

Hij dreigde zijn kandidatuur in te trekken als  hij zijn zin niet kreeg – en hij kreeg zijn zin. Zijn verzet tegen zijn opvolger Tjibbe Joustra had vermoedelijk hetzelfde motief. Het werd dus een onafhankelijke commissie en het werd een succes. Hij trekt dit nu door naar de inspecties die deel uitmaken van de ministeries. Ook die falen naar zijn oordeel op vele fronten. Zijn boek staat vol met onthutsende voorbeelden van dat falen. Ik heb er voorlopig drie opmerkingen bij.

Voor Van Vollenhoven gaat het niet over de afzonderlijke bestuurlijke wetten en de lastige werkelijkheid van de afzonderlijke beleidsterreinen. Niet alleen over de soms krakkemikkige handhaving departementaal beleid. Nee, hij vervangt in zijn oproep “beleid” en “instrument”  door een centrale en inhoudelijke waarde: veiligheid. Dat is waar het voor hem steeds om draait.

Veiligheid, zo roept hij, verdient een centrale inspectie die een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft voor het toezicht op de naleving van regelgeving.  Het maakt eigenlijk niet uit welke wet je pakt, op de achtergrond hurkt vaak een algemeen veiligheidsmotief. Pieter stelt die centraal.

Rampen

Het is daarmee tegelijkertijd een motie van wantrouwen tegen de manier waarop ministers  en regeringen hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering  en handhaving van hun  beleid vorm geven. Hij wil, als ik hem goed begrijp,  zijn nieuwe centrale inspectie losmaken van politieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering  en de handhaving van het beleid. Hij lardeert zijn oproep met tientallen pijnlijke voorbeelden van falende overheden met soms dramatische gevolgen, van vuurwerkramp tot Q-koorts. Zijn verwijt, van onvoldoende aandacht  voor uitvoering en toezicht, dat risico’s oplevert en door decennia heen, soms tot rampen leidt, is terecht.

De vraag die natuurlijk meteen opkomt is  hoe zijn oplossing staatsrechtelijk aan de vork gestoken moet worden. Kan dit wel? Hoe is de politieke verantwoordelijkheid voor deze inspecties vorm gegeven of wordt die helemaal losgelaten? Heeft de volksvertegenwoordiging nog een rol? Wie keurt de begroting goed of af? De eeuwenoude vraag wie dan de wachters bewaakt komt ook hier op: aan wie is de voorgestelde veiligheidsinspectie verantwoording schuldig?

Handhavingsfamilie

Ooit scheef ik een artikel over “handhavingsfamilies”. Ik had de term gezien bij wetgevers die spraken van “wetgevingsfamilies”. Ieder ministerie had zijn eigen typische wetgeving en   beleidsterrein; rijtijdenwetgeving zit anders in elkaar dan warenwetgeving. Ik  schreef dat ook bij bijzondere opsporingsdiensten en inspecties zulke families te onderscheiden waren in het kielzog van de wetgeving. In  specifieke beleidsterreinen, in de mensen en bedrijven die gekend waren, inclusief de gezonde en rotte appels, in de informele bijsturingspraktijken. Zo was in de jaren tachtig  tot wanhoop van sociaal rechercheurs de sociale wetgeving gericht op de zekerheid van de ondersteuning  en niet op handhavingsmogelijkheden. Ook landbouwregelgeving levert uitstekende voorbeelden van de botsende belangen van landbouw, milieu en gezondheid die  steeds slecht uitvoerbare en handhaafbare  wetgeving oplevert. De inspecteurs binnen zulke handhavingsfamilies kenden hun beperkingen, vonden doorgaans wegen om daarmee  om te gaan en kenden de praktijk van de sector waarin zij opereerden.  Degenen die dat niet lukte, verdwenen teleurgesteld of eindigden als klokkenluiders.

Het idee van die ene centrale  veiligheidsinspectie is de laatste stap in de vernietiging van de handhavingsfamilies; centralisatie, deregulering, overdracht van verantwoordelijkheden naar de private sector, systeemtoezicht en jarenlange bezuiniging op de handhaving waren eerder al  verantwoordelijk voor de afbraak van die families. Pieter zet de volgende stap.  Niet alleen de politie  is “abstract” geworden,  de inspecties worden dat dan ook.

Lees ook dit artikel uit het Tijdschrift voor Politie (pdf).

Brille

Minstens net zo interessant als  de oproep   voor veiligheid is de manier waarop Van Vollenhoven door de jaren heen de handicap van zijn lidmaatschap van de koninklijke familie heeft  omgezet in kracht.  Niemand anders dan hij was het gelukt om een onafhankelijke en brede OVV te realiseren tegen het verzet van ministers en departementen in. Ernst Hirsch Ballin had eerder en veel bescheidener  geprobeerd om de mankerende handhaving van de inspecties  te ordenen, maar  verloor de strijd  van de ministeries, die  de baas wilden blijven over hun eigen handhaving. Het lukte Pieter.

Hij wist  visie te combineren met grote hardnekkigheid en  vooral met zijn positie binnen het koningshuis; een factor die nooit werd uitgesproken, maar die werkte.  De brille zat in de zorgvuldigheid waarmee hij dat spel  speelde, nooit zijn hand overspelend, altijd  op argumenten gebaseerd en slechts impliciet koninklijk. Dat is heel knap.

Maar die beweging heeft ook staatsrechtelijke aspecten. Een lid van het koninklijke huis  loopt langs de randen van de staatsrechtelijke ordening van ons land. En hij doet dat met een nu hoogst politiek thema, dat van veiligheid, dat ook hoog staat in de agenda’s van politieke partijen en dat burgers kan mobiliseren en regeringen kan schaden.

Schuren

En zo belanden we bij de conferentie  van de Stichting Maatschappij en Veiligheid, waarvan Pieter voorzitter is en het Nationaal Netwerk Risicomanagement  in juni a.s. Daarin is het centrale thema “Speaking truth to power”. Een lid van het koninklijke huis dat zich hard maakt voor  waarheid tegen macht, voor veiligheid en die opkomt voor klokkenluiders -  ridderlijke thema’s.  Pieter, niet het burgerman-lid van de koninklijke familie die lobbyt voor een belang, maar een prins-activist, onbaatzuchtig bezig met een maatschappelijk ideaal.

Ik bewonder het, maar tegelijkertijd:  het blijft staatsrechtelijk schuren. Ik ben bang dat dat nog meer geldt voor zijn idee van een nationale  veiligheidsinspectie, dat hij daarmee  een staatkundige grens overschrijdt die gerespecteerd dient te worden. En ik ben eigenlijk ook gehecht aan de handhavingsfamilies. Het kan zijn dat ik mij vergis, maar dan moet hij zijn idee verder uitwerken. Dat kan, hij is er nog jong genoeg voor.

 
De Veiligheidscolumn wordt geschreven door deskundigen uit de Politiewereld. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar politie en mensenrechten.
 

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.