Hof laakt Oostenrijk en Spanje om ‘ongelijke behandeling’

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week Europees recht.

Foto Morsa Images

Sociaal beleid kunnen EU-lidstaten goeddeels voeren naar eigen inzicht. Mits ze een aantal basisprincipes, zoals gelijke behandeling, in acht nemen. Hoe lastig ze het daarmee kunnen hebben, blijkt uit twee uitspraken van vorige week waarin het Europees Hof Oostenrijk en Spanje kapittelt.

Bij Oostenrijk gaat het om de ‘federale regeling voor de bezoldiging en bevordering van ambtenaren’ uit 2015. Die moest een einde maken aan de leeftijdsdiscriminatie waarvoor de regering in 2014 op de vingers was getikt. Maar de overgang van de oude naar de nieuwe regeling is volgens het Oostenrijks verbond van vakverenigingen zo ingekleed dat de discriminatie in de praktijk voortduurt, temeer daar niet is voorzien in financiële compensatie voor ambtenaren die in de oude regeling werden benadeeld. Het Europees Hof deelt die kritiek. „Het beginsel van gelijke behandeling kan alleen worden verzekerd door aan de leden van de benadeelde groep de voordelen toe te kennen die de leden van de bevoordeelde groep genieten.” Kortom, de regering moet haar huiswerk overdoen.

Ook in de Spaanse zaak draait het om reparatie van een sociale regeling. In 2012 keurde het Europees Hof het ouderdomspensioen af, omdat daarvoor alleen werknemers in aanmerking kwamen die langer dan vijftien jaar hadden gewerkt en de premies hadden betaald. In 2015 kwam er een nieuwe pensioenregeling. Daar kwam bezwaar tegen, omdat zij deeltijdwerkers zou achterstellen doordat bij de berekening van hun ouderdomspensioen een ‘verlagingscoëfficiënt’ wordt toegepast. Deze korting zou bovendien neerkomen op indirecte discriminatie van vrouwen, omdat zij driekwart van de Spaanse deeltijdwerkers uitmaken. Dat vindt het Hof ook: de verlagingscoëfficiënt voor deeltijdarbeid deugt niet en moet dus van tafel.

Uitspraak:ECLI:EU:C:2019:373 en ECLI:EU:C:2019:382