Opinie

De concurrentie in de EU moet worden gekoesterd

Staalfusie

Commentaar

Ze hebben het oordeel van de Europese Commissie niet afgewacht. Tata Steel en ThyssenKrupp maakten vrijdag bekend af te zien van een voorgenomen fusie, die het tweede staalconcern in Europa na ArcelorMittal zou hebben opgeleverd. Eind vorig jaar toen zij hun plannen aankondigden begon Brussel, zoals gebruikelijk bij fusies en overnames op deze schaal, een onderzoek naar de gevolgen voor de mededinging. De concessies die vanuit Brussel werden gesuggereerd zijn zodanig dat Tata en Thyssen het fusievoordeel zagen verdampen.

Eerder werd door de Europese Commissie al een fusie tussen de treinactiviteiten van het Duitse Siemens en het Franse Alstom afgekeurd. Hier tekent zich een toenemende spanning af tussen de integriteit van de Europese markt en de snel veranderende Europese buitenwereld. Het mededingingsbeleid van de EU is er op gericht bedrijven niet te dominant te laten worden. Te veel pricing power is slecht voor de consument en de industriële afnemers van de betrokken bedrijven. Een teveel aan marktmacht kan ook de innovatie doen afnemen en gaat ten koste van de productiviteitsgroei en uiteindelijk de welvaart.

Zo is het altijd gegaan in de EU, en terecht. Het mededingingsbeleid is een van de succesverhalen van de Europese integratie. De macht van ‘Brussel’ mag dan door nationale politici vaak worden overdreven, op het terrein van mededinging is hij reëel.

Tegelijkertijd verandert de wereld snel. De opkomst van China heeft gezorgd voor tal van nieuwe spelers op het internationale veld. Zij worden niet of nauwelijks gehinderd door binnenlands mededingingsbeleid. Of worden zelfs gezien als ‘nationale kampioen’.

Dat zet Europa onder druk. De Europese Commissie neemt, in zijn beoordeling van marktmacht, slechts de middellange termijn van een jaar of vijf mee. Grote strategische vergezichten tellen daarin niet mee. Maar het is voorstelbaar dat in de naaste toekomst de fusiedruk in de EU groter wordt. Tegenover de Chinese kampioenen zouden dan Europese tegenhangers moeten worden toegestaan. Onder Frans-Duitse druk kan het mogelijk worden dat de mededinging om strategische redenen ter zijde wordt geschoven. Voor het grote bedrijfsleven wordt het dan aantrekkelijk om een megafusie te verdedigen met het verwijzen naar een Chinese dreiging van buitenaf. Misbruik van dat argument ligt voor de hand.

Tegelijk is het begrijpelijk dat de EU-landen zoeken naar antwoorden. De opkomst van China is zo snel en ingrijpend dat regelgeving daar nauwelijks gelijke tred mee kan houden. Toch blijven er belangrijke vragen over. Is het oprekken van het mededingingsbeleid de juiste weg? Er zijn andere manieren om te waken voor de uitholling van de industrie, bijvoorbeeld door het strenger toetsen van directe investeringen uit China. De Europese consument wordt op dit moment goed beschermd, moet dat dan nu deels worden opgegeven? En, misschien wel het meest essentieel: moet de EU, door een actieve industriepolitiek en verzwakte mededingingsregels, van de weeromstuit zelf meer de gedaante gaan aannemen van de opkomende macht China?

Dat laatste is onwenselijk. Een vrije interne markt moet worden gekoesterd. De huidige handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en China zet de internationale economische verhoudingen op dit moment op scherp. Het is voor de EU belangrijk niet te haastig te handelen. Het interne mededingingsbeleid is te waardevol om al te lichtvaardig overboord te zetten.