De brommerrijder verdedigt zichzelf wel

Wie: Martijn (41)

Kwestie: Met brommer wielrenner aangereden

Waar: Rechtbank Midden-Nederland (Lelystad)

De verdachte is in zijn eentje naar de zitting gekomen. Waarom heeft hij geen advocaat meegenomen, wil de rechter weten.

Martijn (41, rossige baard, joggingbroek en een vest van G-Star): „Ik dacht, naar mijn idee, die niet nodig te hebben.” 

„Wist u dat u tegenover drie rechters zou komen te zitten?

„Ja.”

„Beseft u dat het nadelen kan hebben de eigen verdediging te voeren?”

„Dat zal moeten blijken.”

De verdachte reed op een zomeravond in augustus 2017 op de brommer over de dijk van Zeewolde naar Harderwijk, na een bezoek aan zijn moeder. Het was 21.15 uur en het schemerde toen hij vlak voor zijn neus een wielrenner op zich af zag komen. Ze botsten frontaal. De wielrenner had geen licht, heeft hij zelf verklaard.

„Reed u links of rechts van de middenstreep op het fietspad?” vraagt de rechter.

„Ik heb sterk het vermoeden dat ik rechts reed”, zegt Martijn. „Ik kan geen reden bedenken waarom ik links zou rijden.”

Twee getuigen zagen iets anders. Een fietser zag dat de brommer in een flauwe bocht op de linkerhelft raakte. Ook een automobilist zag de brommer op de linkerhelft rijden. Beiden verklaarden dat de brommer ‘hard’ reed.

Klopt het dat u hard reed? vraagt de rechter.

„Viel wel mee”, zegt Martijn.

Onderzoek op de plaats van het ongeluk gaf geen duidelijkheid over de gereden snelheid. De brommer kon wel harder rijden dan is toegestaan, op de rolband kwam hij tot 74 kilometer per uur.

De rechters laten Martijn foto’s zien van het wegdek na het ongeluk. Daarop is een krasspoor te zien dat geheel over de linkerweghelft loopt. Martijn kijkt naar de foto's en zegt niets meer.

„U lijkt beduusd, klopt dat?”

„Nee hoor”, zegt Martijn.

„Maar de sporen passen meer in het verhaal van de getuigen dan in uw verhaal”, zegt de rechter.

Martijn: „Het zal er niet om liegen dan.”

De wielrenner was er slecht aan toe na de aanrijding. Hij had breuken in rib, schouderblad, pink en spaakbeen en een scheur in de alvleesklier. De verzekering van Martijn heeft uitbetaald, zegt hij. Zelf heeft hij ook nog steeds fysieke klachten. „M’n hele bekken stond scheef.”

De verdachte is geen onbeschreven blad. Hij is verslaafd geweest en staat onder financieel bewind. Hij leeft van een Wajonguitkering en werkt op vrijwillige basis als fietsenmaker. Hij heeft zijn leven „redelijk” op orde zegt hij, maar heeft wel net gehoord dat zijn moeder ziek is. Het soort ziekte waarvan je niet meer beter wordt.

De officier van justitie vindt het „een beetje moeilijk” om te requireren omdat Martijn geen advocaat heeft, „dan ga je zelf toch een beetje anders kijken”. Voor haar staat vast dat de verdachte op de verkeerde helft van het fietspad reed, en te hard. Ze eist een werkstraf van 100 uur en vier maanden ontzegging van de rijbevoegdheid.

De rechtbank schorst de zitting vijf minuten zodat Martijn goed na kan denken over zijn laatste woord. Terug in de zaal zegt hij dat hij denkt dat de eis wel „terecht zou kunnen zijn”, maar dat er omstandigheden zijn waardoor het ongeluk ook wel een beetje „buiten mijn schuld is gebeurd”. Zoals het feit dat de fietser geen licht had. Praktisch vindt hij het lastig vier maanden zijn rijbewijs kwijt te zijn. „Ook voor m’n contacten.”

„Bedoelt u uw moeder?”, vraagt de rechter.

„Die ook. Ik doe boodschappen. Kan ik eens wat terugdoen.”

De rechtbank veroordeelt Martijn omdat hij aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gereden – op de verkeerde helft van het fietspad. Dat de racefiets geen licht had, maakt Martijns schuld niet minder. Twee getuigen hebben de racefietser gezien, Martijn had hem ook moeten zien. Hij moet honderd uur werken. Omdat hij zijn zieke moeder met het ov lastiger kan bezoeken, legt de rechtbank twee van de vier maanden ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk op.