Foto Annabel Oosteweeghel

Zo ben je een wonderkind, zo ben je een romanpersonage

Christiaan Bor (68) is de violist naar wie Peter Buwalda zijn personage Otmar in Otmars zonen modelleerde. Bor trad op zijn zesde al op met het vioolconcert van Mendelssohn. Zijn vader liet hem elke dag urenlang oefenen.

Niet iedereen zal zich Christiaan Bor nog herinneren, maar ooit was hij een wonderkind op de viool. Op zijn zesde was hij bij Mies Bouwman op televisie, met zijn vier oudere broers, die ook allemaal viool speelden. Dat was in 1956. In hetzelfde jaar speelde hij voor de Wereldomroep het vioolconcert van Mendelssohn in e-klein. „Wil je het horen?”, vraagt hij.

In zijn slaapkamer heeft hij een grammofoon met een slinger en daarop legt hij een 78-toerenplaat. Door het ruisen en kraken heen klinkt een heldere kinderstem. „Ik ben Christiaan Bor, ik ben zes jaar” – met de nadruk op zes. Dan klinken de eerste tonen, dadáda, dadáda, dadadadadada, dun, maar zuiver.

Hij had les van zijn vader, die zelf ook viool speelde, maar niet goed genoeg om er zijn beroep van te maken. Onder zijn toeziend oog oefende Bor elke dag urenlang. Naar school ging hij alleen in de ochtend, vriendjes had hij niet. „Vriendjes?”, zegt hij. Zijn broers kwamen in verzet, maar hij niet. Hij hield van zijn vader en gehoorzaamde hem.

Alleen als zijn vader een boodschap ging doen legde hij zijn viool wel eens neer. Niet om een puzzel te maken of met zijn autootjes te spelen (die had hij niet), maar gewoon – even niets. „Ik keek uit het raam of hij er al weer aankwam en als hij vroeg of ik wel was blijven studeren zei ik: ja hoor, kijk maar.” De groeven die de snaren in de vingertoppen achterlaten had hij er met een potlood ingedrukt.

Ik leerde Christiaan Bor kennen in december 1987, toen Jascha Heifetz net was overleden en ik een necrologie schreef voor Vrij Nederland. Heifetz was een van de grootste violisten ever en Bor was een leerling van hem geweest. Ik trof hem in de pauze van een concert in Middelburg, waar hij samen met Jaap van Zweden gebogen stond over een close-up van de rechterhand van Heifetz, met daarin de strijkstok. Jaap van Zweden was in die tijd nog violist en concertmeester van het Koninklijk Concertgebouworkest. „Zoals zijn hand de stok omvat”, zei hij op een toon alsof het een relikwie van een heilige betrof. „Zo wonderlijk. Hij gebruikt zijn pink nauwelijks.”

De viool van Christiaan Bor. Foto Annabel Oosteweeghel

Bor vertelde me over het vioolconcert van William Walton dat hij van Heifetz had moeten studeren toen hij bij hem in Los Angeles was, begin jaren zeventig. „Het was speciaal voor hem gecomponeerd en ik kende alle opnamen uit mijn hoofd. Toen moest ik het voor de eerste keer voorspelen. Na een paar maten tikte hij af. Not ready. De volgende keer precies hetzelfde. Not ready. Zo ging het maanden door, om gek van te worden. Eindelijk mocht ik een keer het hele eerste deel uitspelen en ik dacht: nu is het goed. Hij zei: well, je hebt me overtuigd, je kunt dat concert niet spelen.”

Laatst zocht ik Bor weer op in zijn seniorenwoning van 38 vierkante meter in de Amsterdamse binnenstad. Nieuwbouw achter een zeventiende-eeuwse gevel, de kasten volgepropt met foto’s en andere herinneringen aan zijn ooit zo glorieus begonnen vioolcarrière. Ik was Otmars zonen aan het lezen, deel één van de verder nog te verschijnen trilogie van Peter Buwalda, en dacht al na een paar bladzijden: Otmar is Bor. Niet echt natuurlijk, er is van alles anders, maar toch. Otmar is ook violist, heeft ook les gehad van zijn vader, ging ook nauwelijks naar school en studeerde bij Jascha Heifetz.

„Haha”, zei Peter Buwalda toen ik hem vroeg of het toeval was. „Ik heb Christiaan geïnterviewd voor mijn boek.” En Bor zei: „Hij heeft me drie uur lang laten ouwehoeren.” Daarom, maar dit terzijde, was Bor ook bij de presentatie van Otmars zonen, net als Maarten ’t Hart trouwens, en nog een paar anderen naar wie Buwalda zijn personages gemodelleerd heeft. Maar Maarten ’t Hart heet in het boek gewoon Maarten ’t Hart en hij ís ook gewoon Maarten ’t Hart.

Lees ook de recensie van Otmars zonen: De nieuwe Buwalda is geweldig meeslepend en maakt hongerig naar meer (●●●●●)

Hoe het met Otmar en zijn twee kinderen – wonderkinderen op de viool en de piano – zal aflopen wil Peter Buwalda niet zeggen. Dat lezen we wel in deel twee en drie. Maar vast niet goed, want de jongste is in deel één al stapelgek en Otmar eigenlijk ook. Hij is nooit de grote solist geworden die hij had willen zijn en dat moeten zijn kinderen goedmaken. Hij geeft ze zelf alle dagen les en laat ze nauwelijks naar school gaan.

En ja, dat doet weer denken aan de vader van Bor, die kunstschilder van beroep was, maar zonder het gedroomde succes – al zijn er in verschillende musea een paar mooie stillevens en zelfportretten van hem bewaard gebleven. Eén portret, met halflang haar en een gekwelde blik, hangt bij Bor aan de wand.

Het was dus armoede en gebrek vroeger bij hem thuis. Het gezin woonde op een etage zonder vloerbedekking in de Pijp in Amsterdam . Bors vader hoopte rijk te worden met een orkestje van vijf wonderkinderen, en toen dat niet lukte: met zijn jongste zoon. „Van jongs af aan speelde ik redelijk veel concerten”, zegt Bor. „En dat bracht redelijk wat op.” Nee, dat voelde niet als een vorm van misbruik. Hij wist niet beter. Hij was trots op wat hij kon.

En hij was de enige niet die de hoop van zijn familie was. Jascha Heifetz was drie toen zijn vader hem les begon te geven. Hij debuteerde op zijn zevende met het vioolconcert van Mendelssohn. Nadat hij in 1917 met zijn ouders van Sint-Petersburg naar Amerika was gevlucht werd hij een wereldster.

Foto’s Annabel Oosteweeghel

Bor is dat nooit geworden, al is hij er rond zijn tweeëntwintigste dichtbij geweest. Heifetz had hem aangenomen als leerling, wat al buitengewoon bijzonder was, en een paar maanden later nodigde hij hem uit om de tweede vioolpartij te spelen in een uitvoering van een strijkkwintet van Brahms. Bor laat er een foto van zien, waarop hij letterlijk in de schaduw van de grote meester zit te spelen. Hij streelt met een vinger Heifetz’ gezicht. „Wat een man, hè.” Het was een van Heifetz’ laatste concerten.

Zes jaar bleef hij bij hem in Californië en toen keerde hij terug naar Nederland. Dat was in 1978. Voor zijn vertrek was hij een gevierde jonge musicus geweest, met veel concerten en een mooie auto, een tweedehands Wolseley die nog van prinses Armgard was geweest, de moeder van prins Bernhard. Hij had er 1.500 gulden voor betaald. En nu? „Geen hond wist meer wie ik was. Ik moest helemaal opnieuw beginnen.” Hij haalt zijn schouders op als ik vraag of dat geen bittere teleurstelling was. „Het was zoals het was. Heifetz was hier in 1956 voor het laatst geweest, en dat herinnerden de mensen zich ook nauwelijks meer.”

Bor richtte in 1982 Het Reizend Muziekgezelschap op, een wisselend ensemble van oud-leerlingen van Heifetz en andere beroemde musici die hij uit Amerika kende. In 1996 werd hij eerste concertmeester van het Orkest van het Oosten. Jaap van Zweden, die toen net was begonnen met dirigeren, had hem ervoor gevraagd.

Nu is Bor met pensioen. Hij doet, zegt hij, helemaal niets meer. En hij vindt het heerlijk. Zijn vioolkist gaat alleen nog open om zijn nagelschaartje te pakken (violisten moeten hun nagels heel kort houden) of om strijkkwartet te spelen met zijn dochter Lisa. Ze speelt prachtig viool, zegt hij. Maar hij heeft zich nooit met haar opleiding bemoeid, en ook niet met die van haar zusje Roos. Die fout, zegt hij, wilde hij niet maken. Welke fout? „Om mijn kinderen te laten opgroeien zoals ik ben opgegroeid. Ik heb niet eens mijn lagere school afgemaakt. Dat boek van Peter Buwalda, ik zou het best willen lezen, maar hoe?” Donald Duck en Kuifje, dat is ongeveer zijn niveau.

Lees ook het interview met Peter Buwalda: ‘Bloedbanden doen er voor mij niet toe’

Van zijn liefdesleven heeft hij ook een zootje gemaakt en dat komt, zegt hij, omdat hij altijd een ongelooflijke lastpak is geweest, die niet geleerd had om een normale relatie aan te gaan. „In mijn vak moet je volstrekt egocentrisch zijn.” Hij is blij dat hij nu wel een vriendin heeft, ze is een paar jaar ouder dan hij. „We tuttelen de hele dag wat aan en zolang ik elke dag mijn medicijnen ophaal bij de EHBO gaat het prima met me.” Medicijnen? Hij lacht, het is een grap. EHBO: Elbert Heijn Bier Ophaalservice. Hij haalt elke dag zes blikjes bij de Albert Heijn om de hoek. „Ik drink alleen ’s avonds en alleen rond het weekend”, zegt hij. „Ik begin op donderdag en eindig op woensdag.” Jascha Heifetz dronk wodka, elke ochtend om tien uur de eerste.