Recensie

Recensie Boeken

Het dystopische decor van deze roman is adembenemend

Ben Smith Sensitief en subtiel tekent debutant Ben Smith een windmolenpark in de Noordzee, dat beheerd wordt door een jongen en een oude man. (●●●●)

Foto Benjamin van der Spek / Hollandse Hoogte / EyeEm GmbH

Tussen Engeland en Noord-Europa ligt in de Noordzee een gebied dat tijdens de IJstijden regelmatig droogviel: Doggerland. De Engelse schrijver Ben Smith vernoemde zijn debuut ernaar. De roman Doggerland speelt in de toekomst; het water staat hoger dan ooit en het gebied is de locatie van een gigantisch windmolenpark, ‘meer dan zesduizend windmolens, in ellenlange rijen’.

Ergens tussen die molens bevindt zich een substation waar de oude man en de jongen verblijven die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van het park. Op computerschermen kunnen ze zien welke molens niet goed functioneren, ze hebben een elektrische boot waarmee ze naar hun reparatieklussen varen.

Smith heeft zijn personages geen namen gegeven. Het hele boek door blijven ze ‘de jongen’ en ‘de oude man’. Zoiets kan loodzwaar uitpakken, alsof de personen vooral symbolen zijn die iets existentieels en problematisch moeten verbeelden, maar hier is dat niet het geval, zowel jongen als oude man zijn individuen.

Ontsnapte vader

Het dystopische decor van de roman, al die uit zee oprijzende windmolens, is adembenemend, en erg overtuigend neergezet. Het park is in verval, het draait nog maar op zestig procent, roest slaat toe, het systeem dat bijhoudt welke molens uitvallen hapert voortdurend. Ondertussen proberen de oude man en de jongen hun reparaties uit te voeren, als twee mannen die op een winkel passen die eigenlijk al niet meer open is.

De oude man zit er al jaren. De vader van de jongen heeft vroeger ook in het station gewerkt, maar is ontsnapt; als vergelding is zijn zoon er te werk gesteld. De buitenwereld is ver weg. Zo nu en dan komt een ‘stuurman’ met een bevoorradingsboot, met wie handeltjes in windmolenonderdelen worden gevoerd. Verder is er geen contact met buiten. Sterker nog, het windmolenpark is zo groot dat het bereik van de accu van de reparatieboot niet groot genoeg is om het hele park te kunnen bevaren. Zowel over het park als de roman hangt een melancholisch waas. Soms moet je denken aan de dystopische romans van J.G. Ballard, maar dan zonder diens freudiaans getoonzette machismo en machtsvertoon.

Vergaderzalen

Er gebeurt weinig in Doggerland. Het verhaal concentreert zich op de onderlinge verhoudingen en de poging van de jongen om weg te komen. Maar je blijft doorlezen, vanwege het troosteloze decor van die eindeloze windmolenvelden dat Smith zo overtuigend neerzet, met mooie beelden. ‘De Noordzee deinde, van horizon tot horizon, alsof hij een dekzeil was dat over oneffen grond werd gesleept.’ Ook introduceert Smith op tijd nieuwe elementen: zo komt de jongen opeens terecht in een deel van het park waar hij niet eerder is geweest en waar reusachtige nieuwe molens staan, met lege vergaderzalen bovenin.

Het enige wat er te veel aan is, zijn de korte hoofdstukken die het verhaal onderbreken en waarin Smith op poëtische wijze de transformatie van Doggerland beschrijft, door de eeuwen heen. Hiermee probeert Smith zijn verhaal waarschijnlijk van een tijdloos kader te voorzien, om de futiliteit van alle menselijke inspanningen te benadrukken, maar die hoofdstukjes zijn overbodig, die futiliteit zit al in het verhaal zelf verweven. Het is alsof Smith niet doorheeft hoe sterk zijn verhaal is, en dat het geen kaders nodig heeft om te overtuigen.

Doggerland gaat vergezeld van aanbevelingen van schrijvers Cynan Jones en Jon McGregor, en wat je ook mag denken van op boekomslagen geplaatste lof van collega’s, in dit geval is het wel passend: Jones (Inham), McGregor (Reservoir 13) en Smith horen bij elkaar, het zijn alle drie schrijvers die sensitief, subtiel en zorgvuldig te werk gaan, zonder grote gebaren en sensatie, en juist daardoor proza afleveren dat veel impact heeft.