Recensie

Recensie Boeken

Nederland wacht nog altijd op zijn eerste vrouwelijke premier

Vrouwenkiesrecht Een eeuw na de invoering van het vrouwenkiesrecht wacht Nederland nog altijd op zijn eerste vrouwelijke premier. De patriarchale patronen zijn niet zomaar weggespoeld.

Vrouwen stemmen in 1921 in Amsterdam voor het eerst voor de gemeenteraad
Vrouwen stemmen in 1921 in Amsterdam voor het eerst voor de gemeenteraad Foto Spaarnestad/HH
    • Els Kloek

Feminisme gaat in golven. Zo is er nu sprake van een derde (of misschien zelfs vierde) feministische golf. Laatst zei een vriendin dat ze daar behoorlijk moedeloos van wordt. Ik snap dat wel, maar ik deel dat gevoel niet. Als we de golfmetafoor aanhouden, kunnen we gerust stellen dat het golven zijn in een oceaan van eeuwenoud patriarchaat. Die patriarchale patronen zijn niet zomaar weggespoeld, ook niet in Nederland. Anders gezegd: historisch gezien komen vrouwen in het publieke leven net kijken. Dat wordt soms pijnlijk duidelijk in De ongehoorde helft van journalist Paul van der Steen en De hoogste tijd van de politicologen Monique Leyenaar, Jantine Oldersma en Kees Niemöller. Beide boeken verschijnen ter gelegenheid van honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland.

Zó vanzelfsprekend is het mannelijke monopolie over het bestuur altijd geweest, dat vrouwen in Nederland indertijd niet eens expliciet als kiesgerechtigden waren uitgesloten. Voor Aletta Jacobs was dat in 1883 dan ook de aanleiding om aan B&W van haar woonplaats Amsterdam te verzoeken haar op de kiezerslijst te plaatsen. Ze kreeg per kerende post antwoord: haar verzoek werd afgewezen omdat vrouwen alleen voogd kunnen zijn over hun eigen kinderen en daarom geen burgerrechten hebben. Paradoxaal genoeg was het gevolg van Jacobs’ actie dat in 1887 alsnog in de grondwet werd vastgelegd dat alleen mannen stemgerechtigd waren. Men wilde het gat dichten waardoor vrouwen zouden kunnen binnenglippen. Pas op 10 juli 1919 werd het vrouwenkiesrecht in de grondwet vastgelegd. De grondwetswijziging zelf was maar een kleine ingreep: het woord ‘mannelijke’ moest worden geschrapt en het woord ‘mannen’ vervangen door ‘personen’. De wijziging betekende overigens niet dat er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Nederlandse vrouwen moesten drie jaar wachten voor ze van het actief kiesrecht gebruik mochten maken. Het passief kiesrecht, dat vrouwen vanaf 1917 hadden, sorteerde sneller effect: een jaar later (1918 dus) kwam Suze Groeneweg als eerste vrouw in de Tweede Kamer – ze was dus door mannen gekozen.

Vrouwenhaat

Het eerste deel van De hoogste tijd gaat over de langdurige strijd voor het vrouwenkiesrecht. Zeer gedetailleerd beschrijven de auteurs alle acties, organisaties en onderlinge meningsverschillen van de eerste feministische golf, en de – soms verbijsterende – argumenten van de tegenstanders. Interessant is dat zelfs feministen twijfelden aan nut en haalbaarheid van het vrouwenkiesrecht. De in 1907 opgerichte Bond voor Vrouwenkiesrecht vond bijvoorbeeld dat de strijd meer zou moeten gaan om erkenning van vrouwelijke waarden. Dit werd ‘ethisch feminisme’ genoemd.

Het tweede deel van De hoogste tijd gaat over de vraag wat het vrouwenkiesrecht teweeg heeft gebracht: gaan vrouwen wel stemmen, en zo ja, op wie? Wat doen vrouwen in de politiek? Is de politieke gelijkheid inmiddels bereikt? Of neemt de vrouwenhaat het weer over en bedanken vrouwen daarom voor de eer om de politieke arena te betreden?

Het zijn grote vragen waarop de lezer helaas niet altijd een duidelijk antwoord krijgt. De manier waarop de auteurs in dit deel blijven vasthouden aan het begrip ‘passief kiesrecht’ (en de impact van de tweede feministische golf daarop) komt op mij nogal anachronistisch over. De auteurs maken ook nogal wat uitstapjes naar andere tijden en andere landen en larderen hun overzicht van ‘een eeuw vrouwenkiesrecht’ (zie ondertitel) rijkelijk met krantencitaten en kadertjes. Daarom bekroop mij soms een doolhofgevoel. Het boek heeft helaas geen register, en de inhoudsopgave met hoofdstuktitels als ‘Ingaande tegen het bestel Gods (1856-1900)’, ‘Limonade, boottochten en een tentoonstelling (1898-1914)’ en ‘Langzaam, maar toch (1945-1970)’ helpt de lezer al evenmin op weg in dit slecht afgebakende overzicht dat geen overzicht blijkt te zijn. Er zit dus niets anders op dan het boek van kaft tot kaft te lezen. Dat is een hele opgave, want het verhaal is slordig geschreven en al even slordig geredigeerd.

‘U kijkt zo lief’

Minder pretentieus maar een stuk leesbaarder is De ongehoorde helft van journalist/historicus Paul van der Steen. Het is een verzameling van acht biografische schetsen van ‘De eerste vrouwen op het politieke pluche’ (zie ondertitel): vorst, lid van de Tweede en van de Eerste Kamer, wethouder, burgemeester, staatssecretaris, minister en commissaris van de koningin.

Het laatste hoofdstuk van De ongehoorde helft gaat over de vraag wanneer Nederland nu eindelijk zijn eerste vrouwelijke premier zal krijgen. Marga Klompé bedankte in 1967 voor de eer omdat ze vond dat het land er psychologisch nog niet rijp voor was (en omdat ze meende te weinig verstand te hebben van financiën). Achteraf is dat heel jammer, want als ze het wel had aangedurfd, had Nederland zich op de kaart kunnen zetten als het derde land ter wereld met een vrouwelijke premier (na Sri Lanka en India). Els Borst zei twintig jaar geleden desgevraagd dat die eerste vrouwelijke premier er heus wel komt. ‘Het wachten duurt voort’, aldus de slotzin van Van der Steen.

Met behulp van twee citaten weet Van der Steen zijn verhaal aardig rond te krijgen: in het eerste portret haalt hij de politicus Piet Aalberse aan, die in 1920 ‘ze lachte zo lief’ zei over Koningin Wilhelmina, in het laatste hoofdstuk citeert hij Jan Peter Balkenende, die zich in een verkiezingsdebat in 2010 eruit probeerde te redden door tegen Mariëlle Tweebeeke te zeggen ‘u kijkt zo lief’. De ongehoorde helft bevat een handige tijdlijn van voor vrouwenrechten belangrijke jaartallen (1883-2018).

Onmondig

In de 20ste eeuw heeft zich in Nederland (zoals in vele delen van de wereld) een revolutie voltrokken – aan het begin van de twintigste eeuw waren vrouwen nog onmondige burgers, honderd jaar later was de formele gelijkheid in vrijwel alle opzichten geregeld. Dat betekent dat ook de publieke wereld in principe voor vrouwen volledig toegankelijk is. Ik zeg ‘in principe’, omdat er uiteraard nog allerlei hindernissen te overwinnen zijn.

Logisch dus dat het feminisme in steeds weer nieuwe gedaanten af en toe aanzwelt. Vermoeiend is het soms wel, want gelijkheid en gelijkwaardigheid zouden zo langzamerhand vanzelfsprekend moeten zijn. Maar eeuwenoude ideeën en patronen zijn niet zomaar uitgevlakt. Hoe het ook zij, deze revolutie heeft een enorme impact op onze samenleving gehad, en het is goed dat historici en politicologen aandacht aan dit complexe onderwerp besteden. Het wachten is nog wel op een degelijker studie.