Opinie

    • Tommy Wieringa

Magere jaren

Nederlanders gooien veel eten weg, lees ik in de krant. 41 kilo per persoon per jaar, 287 miljoen kilo samen, nog minus restaurants en instellingskeukens. Ik denk aan ons oude brood. Mijn vrouw eet nooit oud brood, ze breekt het nieuwe al aan nog voor het oude op is. Als ik er iets van zeg, kijkt ze naar me alsof ik een tragisch relict uit de Hongerwinter ben. Mijn kinderen eten ook geen oud brood, ze nemen het uit de nieuwe zak. Alleen ik eet thuis oud brood. En kliekjes, tussen de middag. Ik ben bang dat ik op Maarten ’t Hart lijk, van wie ik zomaar denk dat hij ook oud brood en kliekjes eet.

Als er schimmel op staat, gaan de restjes naar de kippen. Wie kippen heeft, heeft geen afvalprobleem. Ik voer ze alles behalve kip, ook al realiseer ik me dat kannibalisme een menselijk taboe is. Tot mild afgrijzen van mijn vrouw neem ik ook etensresten mee uit restaurants. ‘Voor de kippen’, zeg ik verontschuldigend tegen de ober, ‘het mag allemaal doorelkaar.’ Zelfs op een balkon kun je kippen houden, de bio-industrie bewijst dat ze weinig eisen stellen aan hun leefomgeving. In een proces van alchemistische transmutatie maken ze eieren van onze voedselresten. (Wie meer wil weten over de wonderen van het ei, kan ik Het vogelei van Tim Birkhead aanbevelen, een boek vol verbluffende wetenswaardigheden over die evolutionaire vondst.) Als je het gekakel zat bent, kun je die eierfabriekjes zelf ook weer opeten – hoewel ondankbaar is het een overzichtelijk circulair proces.

Ik trek bouillon van kippenbotten, maak tosti’s van kapjes en bak zachte, bruine bananen in de pan, en vraag me af waarom ik me gedraag alsof ik de oorlog heb meegemaakt, terwijl ik alleen maar het kind ben van twee mensen die de oorlog hebben meegemaakt. Mijn moeder gooide ook nooit eten weg. Zelfs aan bedorven zuivelproducten in haar koelkast leek ze wonderlijk gehecht. Haar koelkast leek de laatste jaren van haar leven op een voorbije maand van een verjaardagskalender, die iemand vergeten was om te slaan.

Ze legde ook voorraden aan. In het boek Dit is mijn moeder dat ik onlangs over haar publiceerde, heb ik beschreven welke pathologische vormen dat aannam. Na haar dood vonden we naast kasten vol lang houdbare levensmiddelen ook een griezelige hoeveelheid Mahlzeiten in Notzeiten, een van vloer tot plafond opgestapelde wand goudkleurige blikken vol gevriesdroogde snijbonen, wortelen, pasta en rijst. Op zolder stond een kledingkast vol overlevingsartikelen zoals knijpkatten, thermodekens, waterzuiveraars en waterbestendige lucifers. Zelfs had ze vijftien gram cocaïne van uitstekende kwaliteit in huis, omdat ze eens gelezen had dat mensen in paniek daarvan zouden kalmeren. Kwam de wereldbrand, schreef ik, dan legde mijn moeder nog een lijntje. Ze was kortom een prepper, iemand die zich ernstig en precies voorbereidde op het einde van de wereld zoals we die kennen. Hoe dat einde er precies uitzag, bleef onduidelijk. Alles tussen een nucleaire catastrofe, klimaatrampen en de apocalyps.

Net als mijn moeder leg ik voorraden aan. Niet zoveel als zij en ook niet vanwege de eindtijdelijke visioenen van Johannes, maar vanwege de naderende winter, de zeven magere jaren, wat dan ook. Mijn vrouw lacht er een beetje om. Soms probeer ik mijn hamsterneigingen te verkopen als liefde, maar zij ruikt de angst. Ze is luchthartig en vrolijk, een krekel die liedjes zingt in de zon. De bezorgde mier in het verhaal ben ik. Een ondankbare rol, iedereen sympathiseert met de krekel uit La Fontaines fabel. ‘Honger lijdend klopt ze aan bij buurvrouw Mier, vraagt wat korrels graan aan haar: „Ik betaal je terug met rente, volgend jaar, heus, ik zweer het.” Maar een mier blijft ondanks haar goede deugden een erg zuinig dier, dus roept zij naar buurtje-leen: „Waarom heb je niet gehamsterd toen de zon nog scheen?”’

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.