Opinie

Kritiek op de elite is overal

Elite En dat heeft de elite aan zichzelf te wijten, constateert Bas Heijne. De afschuw van de elite giert je tegemoet, maar wat eraan gedaan moet worden, daarover verschillen de critici van mening.

Illustratie Anne van Wieren

In de week na de grote brand in de Notre-Dame belandde ik in een demonstratie van gele hesjes. Er werd gegooid met flessen, metalen voorwerpen. Af en toe een knal, huilende sirenes, de geur van verbrand rubber. Ik kwam naast een man te staan die op een stoep zat uit te blazen. Halverwege de veertig schatte ik hem, er zat grijs in zijn baardje. Hij nam hapjes van een energiereep. Zijn gezicht hield hij onwennig in de voorjaarszon. Achterop zijn hesje had hij een uitgeprinte tekst geplakt: „De Notre-Dame is haar dak kwijt!!! Nou en???!!! In Frankrijk, in de 21ste eeuw moeten duizenden mannen, vrouwen en kinderen het zonder doen!!!”

Op het eerste gezicht ging, vond ik, de vergelijking mank. De Notre-Dame is nationaal erfgoed; de kathedraal staat er ook voor hem. Daarbij riekt het naar klassieke rancune om over het geld voor de restauratie te klagen. Er gaat altijd wel geld naar dingen dat beter aan jou had kunnen worden besteed. Tot nu toe is er dik één miljard ingezameld voor de restauratie; de Franse president Macron heeft twaalf miljard belastinggeld opzij gezet om aan de noden van de gele hesjes tegemoet te komen.

Dus, dacht ik.

Maar het knaagde. Ook ik had me geërgerd aan de manier waarop grote Franse bedrijven elkaar direct na de brand probeerden af te troeven, met honderden miljoenen tegelijk – en daarna begonnen te dreinen over belastingaftrek. Toen dat kritiek opleverde (met belastingaftrek draait uiteindelijk toch de burger ervoor op), zag in ieder geval één bedrijf van dat voordeel af. Andere zullen vast en zeker volgen.

Lees ook: Schenkingen van Franse multimiljonairs zijn moderne aflaten

Maar het leed is al geschied. Wanneer het om een fotogenieke, nationale ramp gaat, is men in de bovenste maatschappelijke laag onmiddellijk bereid zijn portemonnee te trekken. Maar structureel meer bijdragen aan sociale infrastructuur (of het verhelpen van achterstallig onderhoud aan minder spectaculair erfgoed) – je zult wel gek zijn.

En zo werd het symbool van herwonnen nationale eenheid, de gruwelijke brand in de Notre-Dame, binnen een week tot een veelzeggend symbool van het selectieve, enkel-voor-de-schijnwerpers-engagement van de elite. Wat bedoeld was als een bijdrage aan herstel van nationale trots, werd door de man in het gele hesje opgevat als een fluim in zijn gezicht.

Ik begreep hem wel. Overal dezelfde dynamiek: een klasse die boos is en in opstand komt omdat ze zich niet gezien en gewaardeerd voelt, te zwaar belast wordt, recht tegenover een bestuurlijke en zakelijke klasse die ziende blind lijkt. Bij de jaarwisseling schreef ik in deze krant dat opstand tegen de elite 2019 zou bepalen. We zijn ruim vier maanden verder – de afschuw van ‘de elite’ giert je tegemoet. De retoriek van nieuwe partijen als Baudets Forum voor Democratie en Nigel Farages Brexit Party keert zich expliciet tegen de huidige bestuurdersklasse. Maar ook aan de linkerkant zwelt de kritiek aan tegen een elite die verzaakt. SP-voorzitter Ron Meyer spreekt van een „eurofiele bende”.

Kritiek, afkeuring en woede

Daar hoef je geen voorspellende gave voor te hebben, het speelt al jaren. Verrassend is wel dat de afkeer van elite alomvattend lijkt te zijn geworden; kritiek, afkeuring en woede komen van alle kanten. De maatschappelijke bovenlaag levert niet, zit in zichzelf opgesloten, weet niet wat er leeft, neemt geen verantwoordelijkheid, kijkt neer op gewone mensen – daar lijken de critici het over eens. Maar die algemene afkeer verhult dat de gezichtspunten over wat er mis is – en wat eraan gedaan moet worden – totaal van elkaar verschillen.

Daardoor dreigt ‘de elite’ een vaag containerbegrip te worden voor alles wat je niet bevalt, voor iedereen die het bloed onder je nagels vandaan haalt. En juist die vaagheid maakt het weer makkelijk om kritiek op ‘de elite’ weg te wuiven. Zoals: what else is new? Of: het is al te gerieflijk om je overal en altijd blindelings tegen het establishment te keren. Of: over wie heb je het eigenlijk precies? En: doe zelf ook eens wat.

Maar de huidige, breed gedeelde afkeer van ‘de elite’ legt wel degelijk iets bloot. Ga de verwijten langs die tegen de elite worden ingebracht, en je stuit al snel op een dieperliggend conflict.

Eerst een snelle greep. Je hebt de rechtse en ultrarechtse afkeer, of haat, jegens een elite die is losgezongen van ‘het volk’ en zich uitleeft in het vieren van zijn onnadenkend kosmopolitisme. FVD-leider Thierry Baudet, tijdens zijn spraakmakende overwinningsspeech na de verkiezingen voor de Provinciale Staten: „Net als al die andere landen van onze boreale wereld worden we kapot gemaakt door de mensen die ons juist zouden moeten beschermen. We worden ondermijnd door onze universiteiten, door onze journalisten, door de mensen die onze kunstsubsidies ontvangen en die onze gebouwen ontwerpen. En bovenal worden we ondermijnd door onze bestuurders.”

Dan is er de groeiende kritiek op een elite die alleen in schijn progressief is, maar al haar idealen het raam uitgooit zodra de eigen belangen in het geding komen. Dat al te geriefelijke idealisme van de welgestelde klasse wordt aan de kaak gesteld in de recente bestseller Winners Take All van Anand Giridharadas.

Lees ook dit essay van Bas Heijne: De fantasietjes van de elite

Historicus Rutger Bregman scherpte die kritiek aan in het hol van de leeuw, het World Economic Forum in Davos, waar hij van leer trok tegen de alom geaccepteerde filantropie van de superrijken: eerst word je zo rijk mogelijk, daarna geef je wat terug, door middel van fondsen, donaties, projecten die dankbaar jouw naam dragen. Weg met die filantropie, hield Bregman zijn publiek voor: betaal gewoon meer belastingen.

Er is nog een kritiek, die ik een elitaire kritiek op de elite noem: de elite moet helemaal niet dichter naar het volk toe komen, niet minder elitair worden, maar juist meer. Als je vooraanstaand bent, kom er dan rond voor uit – en gedraag je daar dan ook naar. De elite moet zich intellectueel weer verdiepen, zich verantwoordelijk tonen jegens de samenleving, en niet opportunistisch haar oren laten hangen naar iedere volkse oprisping, maar durven ergens voor te staan.

Quote-hoofdredacteur Sander Schimmelpenninck en Zuidas-predikant Ruben van Zwieten, auteurs van Elite gezocht, in deze krant: „De Hollandse elites vinden elkaar uitsluitend in zelfontkenning. […] Het ontkennen van autoriteit, van een bepaalde verhevenheid, heeft alleen tot gevolg dat de onderklasse zich gesterkt ziet in het geloof dat ‘de elite’ fout is en dat het vertrouwen in publieke instanties en de wetenschap verder wordt uitgehold.”

Ik vat samen: een ‘elite’ die ‘het volk’ en de cultuur doelbewust ondermijnt; een elite die vooral voor zichzelf zorgt, niet van plan is een meer rechtvaardige verdeling na te streven; en een elite die niet assertief genoeg is, niet langer voor zichzelf durft uit te komen.

Graaiers, celebrities, deugmensen

Aan de oppervlakte gaat het om persoonlijkheden, graaiers, celebrities, deugmensen, technocraten, de Haagse kaasstolp. Maar kijk er eens goed naar, en je ziet dat achter die breed gedeelde afkeer van personen wel degelijk ideologische tegenstellingen schuilgaan.

In Liberalisme: het verhaal van een idee (2014) stelt de Britse journalist Edmund Fawcett dat het liberalisme in het verleden te maken heeft gehad met twee rivalen: conservatisme en socialisme. Het liberalisme, aldus Fawcett, heeft nooit een volledig uitgewerkt gedachtengoed gekend, maar baseert zich op een viertal overtuigingen. Ten eerste het besef dat er altijd politieke strijd zal zijn, aangezien er sinds de Verlichting geen gemeenschappelijk idee van ‘het goede’ meer is. Ten tweede verzet het liberalisme zich tegen de menselijke neiging de macht naar zich toe te trekken en zoekt het altijd naar een evenwicht waarbij de macht gecontroleerd en ingeperkt kan worden. Verder zijn er het geloof in vooruitgang en het idee van gelijkwaardigheid, de notie dat iedere mens respect verdient op basis van zijn mens-zijn alleen, ongeacht afkomst, sociale status of capaciteiten.

Het conservatisme verzet zich van oudsher tegen de liberale nadruk op individuele vrijheid en zegt op te komen voor de gedeelde waarden van cultuur en gemeenschap. Het socialisme keert zich eveneens tegen een veronachtzaming van gemeenschap, maar vat die gemeenschap op als broederschap, juist over de grenzen van cultuur en afkomst heen.

In de liberale democratie zoals wij die kennen, is het liberale gedachtengoed dominant geworden. Het zelfstandige individu, de mondige burger geldt als het middelpunt van alles. De huidige bestuurlijke elite ziet zichzelf als drager en hoeder van liberale, progressieve waarden – met hier een accent op meer conservatieve behoudzucht, daar een onwrikbaar geloof in de zegeningen van de vrije markt en aan de linkerzijde extra nadruk op sociale cohesie en nivellering.

Rivaliserend gedachtegoed

Veel van de huidige kritiek op de elite komt er in wezen op neer dat het rivaliserend gedachtegoed, conservatisme en socialisme, op een fatale manier is ‘geliberaliseerd’, dat wil zeggen hopeloos verwaterd en daardoor krachteloos – een schim van wat het had kunnen zijn. Vandaar de roep om meer radicalisme, de drang om conservatisme en socialisme te bevrijden uit de (neo)liberale knuffel, die als een wurggreep wordt ervaren.

Het is de bestuurlijke en economische elite die verantwoordelijk wordt gehouden voor die verlammende houdgreep, die het aloude rivaliserende gedachtengoed verhindert opnieuw vleugels te krijgen.

Ten slotte is er de kritiek van liberalen zelf, die stellen dat het liberalisme zichzelf ontrouw is geworden, zijn vier kenmerken uit het oog heeft verloren.

Lees ook: Filantropen zijn niet heilig, wel nuttig

De huidige onvrede met de elite tekent zich dus langs aloude ideologische lijnen af – zij het dat in deze tijd de oorspronkelijke, rivaliserende ideologieën ‘zwevend’ zijn geworden: ze zijn, denk ik, eerder een kritiek op de ontsporingen van het liberalisme dan zelfstandige, autonome bewegingen. Juist dat wordt zo frustrerend gevonden. Rechts vindt dat de liberale elite het idee van gemeenschap in culturele zin uit het oog heeft verloren. Links ziet de groeiende ongelijkheid als een fatale ondermijning van maatschappelijke solidariteit. Beide voelen zich hopeloos tekort gedaan door het liberalisme, zoals dat door de heersende elites wordt uitgedragen.

Gemeenschappelijk belang

Kritiek op het liberalisme is zo oud als het liberalisme zelf – ook de aard van de kritiek is grotendeels hetzelfde gebleven. Als iedereen het recht heeft zijn eigen geluk en welvaart na te streven, wie zorgt er dan voor het gemeenschappelijk belang? Wat betekent spreken over gelijke kansen en mensen in hun kracht zetten, terwijl je ze verder aan hun lot overlaat, in naam van de eigen verantwoordelijkheid? Wanneer wordt individualisme tot egoïsme? Wat te doen wanneer de vrijheid van de een de vrijheid van de ander ondermijnt?

En o ja, wanneer verwordt een rationele kijk op de wereld tot een zielloos vooruitgangsdenken, waarin de mens wordt gestuurd en gemanipuleerd totdat hij het gewenste gedrag vertoont, ten behoeve van een verlichte, door-en-door gereguleerde maatschappij?

Liberale politiek is altijd een balanceer-act tussen verschillende opvattingen en belangen geweest; het moment dat het liberalisme zijn rivalen had verslagen, trad de zelfgenoegzaamheid in, vertolkt door het idee dat we allemaal wel zo ongeveer dezelfde kant op willen. Het uitgangspunt dat politiek altijd een strijd van tegengestelde opvattingen zal zijn, dat conflicten erbij horen, raakte op de achtergrond.

Kritiek op de elite is dus meestal kritiek op het liberalisme. Maar wil je het liberalisme weer bij de les krijgen of wil je haar vervangen door een heel ander systeem? En kan dat wel? Dat is de hamvraag, het brandpunt van de hedendaagse politieke en culturele strijd.

Botsende ego’s

Een mooi voorbeeld zijn de recente strubbelingen bij de partij van Baudet, Forum voor Democratie. Dat lijkt een botsing van ego’s: van een egocentrisch leider in de greep van romantische ideeën en een no-nonsense zakenman op de achtergrond, die ook ‘s op de voorgrond wilde treden.

Maar het geschil is ideologisch. Uit een interview in deze krant met de gewezen lijsttrekker voor de Eerste Kamer blijkt dat Henk Otten zichzelf als een rechtse liberaal ziet, die de in zijn ogen slappe bestuurlijke elite de rechterkant op wil krijgen.

Baudet zelf daarentegen, laat zich in iedere toespraak opnieuw kennen als iemand die tegen het liberalisme is. In een interview voor de Zwitserse krant Die Weltwoche stelt hij onomwonden: „Wij vertegenwoordigen een politieke filosofie die fundamenteel anders is. Wij willen dingen die rechtstreeks ingaan tegen het politieke spectrum dat het Westen heeft gedomineerd vanaf de Franse revolutie.” Expliciet keert hij zich tegen de idealen van de Franse revolutie. Tegen vrijheid, gelijkheid, broederschap – kauw er even op. Die idealen hebben geleid tot „socialisme en liberalisme, die beide op een fundamentele manier tekortschieten.”

Daarmee sluit Baudet aan bij een populistisch-nationalistisch gedachtegoed dat uitgesproken antiliberaal is. De Hongaarse president Orban verklaart het liberalisme om de haverklap tot een gevaarlijke dwaling, waartegen het christelijke Hongarije zich met hand en tand moet verzetten. De Russisch extremist Alexandr Doegin, tegenwoordig vooral populair in alt-right-kringen, verklaart het liberalisme tot een fatale ontwikkeling in de westerse wereld, die de eigen cultuur ondermijnt. Om die cultuur weer ‘heel’ te maken, moet het liberalisme vernietigd worden.

Nieuwe vijanden

Voor een liberaal kan de samenleving niet meer „heel’’ worden, de beweging is, zoals Fawcett in zijn boek laat zien, juist ontstaan om een voor altijd in zichzelf verdeelde samenleving leefbaar te houden. De nieuwe vijanden van het liberalisme, zoals Andreas Mölzer, partij-ideoloog van de extreemrechtse Oostenrijkse partij FPÖ, hebben daar geen boodschap aan. Tegen journalist Marijn Kruk stelde hij onlangs in De Groene Amsterdammer: „We zijn voor vrijheid, maar wel voor ónze vrijheid.”

Kan het duidelijker? Kritiek op het liberalisme en de totale verwerping van het liberale wereldbeeld – die ambivalentie vind je ook terug in de beweging van de Franse gele hesjes. Dat maakt het lastig partij voor of tegen hen te kiezen: het streven naar sociale rechtvaardigheid, het opkomen voor het ‘vergeten Frankrijk’ kan overal op sympathie rekenen; maar de beweging kent ook illiberale, extreemrechtse en extreemlinkse tendensen, antisemitisme en xenofobie. Het is verleidelijk om die akelige ambivalentie te negeren in een gedeelde afkeer van de elite. Zo ongeveer iedereen heeft immers wel iets tegen de elite.

Maar de onderliggende kwestie is cruciaal en zal zich almaar scherper aftekenen: wil je het liberalisme corrigeren, de elite weer bij de les krijgen, tot verantwoordelijkheid dwingen óf wil je het liberalisme vernietigen? Er zijn denkers, zoals de Engelse politiek filosoof John Gray, die ervan overtuigd zijn dat het einde van het liberalisme in zicht is – alleen de luie, zelfgenoegzame liberale elite heeft dat nog niet door. In een recent artikel op de website UnHerd noemde Gray het liberalisme, met een provocerende verwijzing naar het communisme als „the other God that failed”. Kijk naar China, Rusland, Turkije, Oost-Europa en de Verenigde Staten – het liberale wereldbeeld is op z’n retour.

Zo somber ben ik niet. Ik heb in mijn leven, zoals de meeste mensen, te veel te danken aan de verwezenlijking van liberale waarden. Er zijn meer dan genoeg mensen die die kernwaarden, zoals Fawcett ze beschrijft, niet op de vuilnisbelt van de geschiedenis willen zien belanden. De afkeer en kritiek van de meeste mensen komt erop neer, denk ik, dat de heersende elites de liberale waarden verwaarlozen en ontrouw zijn geworden. Maar: als dat besef bij diezelfde elites nu nog steeds niet is doorgedrongen, dreigt echt gevaar.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.