Hier en daar een snippertje biodiversiteit

Natuur Wereldwijd zijn veel soorten bedreigd. In Nederland gaat de biodiversiteit ook achteruit.

Ecoducten kunnen gebieden met elkaar verbinden. De kleine foto’s: de rietzanger, de kuifleeuwerik en de grote vuurvlinder.
Ecoducten kunnen gebieden met elkaar verbinden. De kleine foto’s: de rietzanger, de kuifleeuwerik en de grote vuurvlinder. Foto’s ANP, iStock

De grote vuurvlinder, de kuifleeuwerik, het donker muggenstrontjesmos: ze staan niet met naam en toenaam genoemd in het IPBES Global Assessment dat maandag verscheen. Maar het omvangrijke internationale biodiversiteitsrapport gaat óók over hen: drie bedreigde tot ernstig bedreigde soorten in Nederland. Nu IPBES alarmerende conclusies trekt over de wereldwijde biodiversiteit – nog nooit ging die in zo’n hoog tempo achteruit – rijst de vraag: hoe staat het met de Nederlandse situatie?

Ook in ons land staan soorten onder druk. Uit de Rode Lijsten voor Nederlandse planten en dieren blijkt dat onder meer 8 procent van de zoogdieren, 11 procent van de vogels, 22 procent van de bijen en 28 procent van de reptielen bedreigd of ernstig bedreigd wordt. Eind maart meldde de Vlinderstichting dat tussen 1890 en 2017 twee op de tien dagvlindersoorten uit Nederland zijn verdwenen. En zelfs de libellen – die decennialang in aantal toenamen – gaan nu achteruit.

Zeldzame soorten

Naast die soortenaantallen is het belangrijk om te kijken naar het oppervlak beschermde natuur, zegt de Wageningse emeritus-hoogleraar natuurbeheer Frank Berendse, die in zijn boek Wilde Apen schrijft over natuurbescherming in Nederland. „Oppervlakte is de belangrijkste factor die bepaalt hoeveel soorten er in een gebied kunnen overleven. Zo blijkt uit berekeningen van de Amerikaanse entomoloog Darlington uit 1957 dat op eilanden het aantal soorten halveert wanneer de oppervlakte tienmaal kleiner wordt. Als de oppervlakte verdubbelt, stijgt het aantal soorten met 20 procent. Dat lijkt misschien niet veel, maar juist de zeldzame soorten komen er dan bij.”

In gebieden met veel landbouw gaan de soorten het sterkst achteruit

In Nederland is 13 procent van het landoppervlak Natura 2000-gebied: natuur beschermd volgens Europese richtlijnen. Van die 13 procent, verdeeld over 166 gebieden, bestaat 7 procent uit zoet water, waaronder IJsselmeer en Markermeer. Wie rekent met de richtlijnen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur) komt iets hoger uit: 16 procent – zo’n 680.000 hectare. De provincies willen dat het NNN in 2027 zo’n 750.000 hectare bedraagt.

De Natura 2000-gebieden vallen grotendeels binnen het NNN. Berendse: „Het voordeel van Natura 2000-gebieden is dat ze echt beschermd zijn tegen externe invloeden. Er mogen dan onder andere geen vervuilende landbouwbedrijven in de buurt zijn – soms worden ze zelfs speciaal om die reden verplaatst. Naar schatting staat zeker de helft van de natuur in Nederland onder invloed van de landbouw, vooral door stikstofverrijking en de verspreiding van landbouwgif. In gebieden als de Gelderse Vallei en De Groote Peel slaat zo’n 60 kilo stikstof per hectare per jaar neer, ver boven het niveau dat de natuur kan verwerken. Op een kilometer afstand van landbouwbedrijven is er nog altijd een aanzienlijke verrijking van de bodem merkbaar.”

Welke berekening je ook kiest: 13 of 16 procent is nog altijd minder dan voorgeschreven. Op een internationale conferentie in de Japanse regio Aichi werden in 2010 twintig biodiversiteitsdoelen geformuleerd, waaraan alle landen in 2020 zouden moeten voldoen. Een daarvan had specifiek betrekking op oppervlak: elk land zou 17 procent land en 10 procent zee moeten beschermen. In Nederland wordt alleen die 10 procent ruimschoots gehaald, met onder andere de Doggersbank.

Zombiesoorten

Oppervlakte alleen is niet voldoende, benadrukt Berendse. Je moet ook de versnippering tegengaan. Dat kan door de aanleg van zogeheten faunapassages – eekhoornbruggen, paddentunnels, ecoducten. „Als deelpopulaties te ver van elkaar afliggen, zijn ze op den duur ten dode opgeschreven, doordat na het plaatselijk uitsterven van een soort – bijvoorbeeld in een extreem droog jaar – het volgend jaar geen nieuwe vestiging van de soort kan plaatsvinden. De Finse ecoloog Ilkka Hanski noemde zulke soorten de ‘living dead’, zombiesoorten.” De rietzanger, die in Nederlandse laagveenmoerassen broedt, is daar een voorbeeld van. Die vogelsoort overwintert in Noord-Afrika, en als het in de Sahel een paar jaar droog is, keldert het aantal rietzangers snel. „In Nederlandse broedgebieden die goed met elkaar in verbinding staan – door rietkragen langs slootjes bijvoorbeeld – herstellen de deelpopulaties zich snel, terwijl de rietzangers uit de meer geïsoleerde plekken verdwijnen.”

„Landbouw en verstedelijking kunnen ervoor zorgen dat natuurgebied omsloten wordt”, zegt Rob Alkemade, buitengewoon hoogleraar global biodiversity in Wageningen en senior-projectleider bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). „Dan kun je weinig met faunapassages, dus dan gaat het erom andere stapstenen te creëren: heggen en houtwallen bijvoorbeeld. En groene hotspots in de stad, zoals tuinen zonder veel tegels.”

Volgens Berendse zijn de natuurgebieden ongelijk verdeeld over Nederland. „Voedselrijke grond gaat naar landbouw, en beschermde natuur krijgt vooral de droge voedselarme bodems toegewezen. Dat gaat ten koste van soorten als de harlekijnorchis en de sprinkhaanrietzanger.”

Nuttige insecten

Alkemade: „Natuurbescherming moet representatief zijn voor alle ecosystemen, maar in Nederland zijn er inderdaad een paar landschapstypes die er bekaaid vanaf komen – zeekleigronden en veenweides bijvoorbeeld, terwijl hogere zandgronden juist weer behoorlijk goed vertegenwoordigd zijn. Die scheve verdeling is historisch zo gegroeid, maar tegelijkertijd gedijen veel zeldzame plantensoorten juist ook goed op schralere grond.”

Pim Vugteveen, een collega van Alkemade bij het PBL: „We zien dat de biodiversiteit binnen natuurgebieden op land na jarenlange achteruitgang nu min of meer stabiel blijft, maar dat veel diersoorten in het agrarisch gebied nog sterk achteruitgaan. Zo blijft het met de weidevogels slecht gaan – onder andere door de achteruitgang van insecten. De achteruitgang van insecten hangt mogelijk ook samen met ontwikkelingen in de landbouw. Lange tijd is er te weinig aandacht naar de insecten uitgegaan.”

Daarin lijkt nu verandering te komen. De Radboud Universiteit doet er onderzoek naar. En eind 2018 kwam het Deltaplan Biodiversiteitsherstel, opgesteld door een samenwerkingsverband van wetenschappelijke instituten, natuur- en milieuorganisaties en landbouwvertegenwoordigers. Als doel staat onder meer genoemd ‘het stimuleren van nuttige insecten en een vruchtbare bodem’.

Hoeveel landbouw willen we?

Berendse noemt het Deltaplan nog „te vaag”. „Er wordt met geen woord gerept over uitbreidingen van het oppervlak beschermde natuur, of de reductie van de veestapel. Ik zie één duidelijke oplossing voor het biodiversiteitsverlies: een stevig prijsbeleid voor vervuilende producten. Waarom laten we de voedselprijzen niet stijgen, zodat de boeren met minder productie toe kunnen en consumenten veel zuiniger met het gekochte voedsel omgaan? De vraag is hoeveel landbouw we willen hebben in Nederland. Als we kiezen voor minder export en vooral verbouwen voor lokale consumptie kunnen we met een stuk minder grond toe.”

Alkemade is positiever over het Deltaplan. „Veel kleine initiatieven samen kunnen ook een verschil maken. Dat zie je in de stad al, daar wordt steeds natuurinclusiever gebouwd. Inmetselnestkasten, dakpannen voor gierzwaluwen, groene daken...”

Vugteveen: „En als consumenten kunnen we lokale producten kopen, kiezen voor milieuvriendelijke labels – hout met een FSC-keurmerk, duurzaam gevangen vis. Het is een begin.”