Opinie

Een cultuur van razernij

In Europa

In zijn Humboldt-speech in Berlijn vroeg minister Hoekstra zich deze week af: „Hoe moet het verder met dat keurige, redelijke, aangeharkte, om niet te zeggen brave continent, met maar een half miljard mensen, in een wereld waarin alleen al qua populatie veel grotere machtsblokken bestaan?”

Hoekstra zette de Europese Unie neer als een club vol problemen. Hij schetste er een aantal. „We zijn niet in staat om de externe uitdagingen van onze tijd effectief het hoofd te bieden”, vervolgde hij. „En binnen de EU is er ook wat aan de hand. Daar sluimert het gevaar van implosie.” In een interview met buitenlandse kranten had hij het weer over dat „smeulende implosiegevaar”.

Waar komt dat toch vandaan, die neiging om alle problemen van de EU levensbedreigend en existentieel te maken? De Europese integratie is bedacht als mechanisme om conflicten tussen Europese landen, die vroeger vaak op oorlog uitliepen, te kanaliseren. Zo is het begonnen, en zo werkt het nog. Lidstaten hebben nog steeds andere belangen, eisen, wensen, trauma’s en tradities. Ze hebben altijd geclasht, en zullen dat altijd blijven doen. Dat is een gegeven. Dat er altijd meningsverschillen en problemen in de EU zijn, is dus normaal. Sterker, het is precies waarvoor de EU is uitgevonden.

Maar de mens heeft kennelijk bedreigingen nodig. De Britse schrijver J.G. Ballard voert in het boek Super-Cannes (2000) een aantal welgestelde Europeanen op die in ‘Eden-Olympia’ wonen, een superdeluxe, ommuurde compound ergens boven Cannes. Architecten, artsen, bankiers en zakenlui leiden er een zorgeloos leven. Alles is voor ze geregeld. Er zijn restaurants, bodyguards, psychiaters, dokters, alle mogelijke technische voorzieningen. De bewoners zijn afgeschermd van de buitenwereld. Er is maar één probleem in dit steriele oord: mensen raken verveeld. Als er geen conflict is, als je niet tegen vijanden, verloedering of andere rampspoed hoeft te vechten – waartoe dient het leven dan?

Super-Cannes is een gruwelijk, confronterend boek. Die keurige types raken zo gestresst dat ze op zoek gaan naar uitdagingen. Ze experimenteren met extreme seks, drugs en geweld. Ze keren zich tegen elkaar. En op een nacht scheurt een groep mannen uit de compound op zware motorfietsen naar Cannes, om daar immigranten af te tuigen.

Volgens de Deense filosoof Sören Kierkegaard is de mens niet op aarde om in rust en comfort te leven. Zonder strijd, zei Kierkegaard, is het menselijke bestaan waardeloos. Het gevecht tegen de elementen, tegen vijanden of dodelijke ziektes geeft het leven waarde. Want bij grote calamiteiten organiseren mensen zich. Dan worden ze solidair – ze moeten wel, om te overleven. Op zulke momenten ontstaat er iets van een groepsidentiteit. Bovendien worden sociale verschillen door rampspoed genivelleerd: iedereen wordt erdoor geraakt.

In het „aangeharkte” Europa van nu gaan er veel dingen mis. Maar we zijn wel het rijkste continent op aarde. We maken geen extreme rampspoed mee. Dus wat doen mensen? Ze zoeken het op. Ze verzinnen rampen en gevaren, schrijven criminoloog Vincent Harinam en psycholoog Rob Henderson op de Australische site Quillette. In een poging solidariteit en gemeenschapszin op te wekken, maken mensen van muggen olifanten. Ze zoeken een vijand. Ze provoceren, beledigen, maken anderen bang en lokken conflicten uit, desnoods met geweld. Harinam en Henderson noemen dit „outrage culture”.

Dit is ook wat er in Europa speelt, ons „brave continent” vol individualisten. Sociale ongelijkheid, migratie of een zwakke defensie zijn serieuze problemen die we moeten oplossen, daarin heeft Hoekstra gelijk. Maar het zijn geen existentiële bedreigingen. Wat wel existentieel is: die cultuur van razernij. Wat Europa bedreigt, zijn overdrijving, provocatie en polarisatie. Het echte „smeulende implosiegevaar” zit daar.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.