Opinie

    • Jeroen Geurts

Druk, druk, druk is de eenheidsworst

Column Jeroen Geurts We willen wetenschappers in één en hetzelfde malletje gieten. Dat gaat mis.

Lezers vroegen me om te schrijven over werkdruk in de academie. Ik dacht: eitje, doe ik. Maar het valt tegen, ik loop al een week te dubben. Er is veel te doen over het onderwerp. Academische strijdgroepen als #WOinActie ballen boos de vuist tegen universiteit en ministerie. Zij roepen om meer geld en minder werk. De zware onderwijslasten, de opgefokte bewijsdrang in het onderzoek en in algemene zin veel te veel verplichtingen om nog aan nadenken toe te komen, eisen hun tol. We lezen over burn-outcijfers onder studenten en over promovendi die de academie verlaten, met of zonder bul. De geest van revolutie dwaalt tussen de muren van de universiteit.

Ik heb me lang afzijdig gehouden in dit debat. Ik weet niet waarom, maar ik voelde irritatie bij het thema werkdruk. Als je ’s ochtends bij een collega in de lift stapt en vraagt: ‘mogge, hoe gaat-ie?’ Dan krijg je steevast het antwoord: ‘druk’. Dat begint verdorie oud te worden zeg. Maak het dan minder druk! Plan beter, praat met je baas, doe iets. Take control.

Nu realiseer ik me dat dit precies is waar het fout gaat: in de controle over eigen werk. Die is er niet. Ik sprak een jonge wetenschapper die zóveel onderwijs moest geven dat hij niet aan zijn onderzoek toekwam. Omdat hij juist heel graag een carrière in het onderzoek wilde, zag hij geen andere uitweg dan halftijds uit dienst van de universiteit te gaan om in zijn vrije tijd aan zijn stukken te werken. Dat maakte diepe indruk. Dat kan niet de bedoeling zijn. Iets anders wat me raakte: mijn eigen studenten weten niet of ze door willen in de wetenschap. Ik leid ze op, maar ze willen het leven dat hun baas leidt niet. Altijd werken, altijd onder druk om te presteren. Nee, dank u. ‘Voel jij nooit stress?’ vroeg een van mijn kinders. Heel voorzichtig, alsof het iets is wat je eigenlijk niet hoort te vragen. ‘Zeker wel’, zei ik. Ook ik voel paniek als ik mijn agenda open.

Maar weet je, ik kan ook niet zonder. Dat is het gekke: zonder die dynamiek en het constante gevoel dat ik iets goeds doe, iets beter maak, iets oplos of uitzoek, zonder dat gevoel zou ik doodongelukkig zijn. Het is júíst mijn onderzoekersgeest die maakt dat ik altijd aan het bewegen ben, altijd blijf werken en dus altijd druk ben. Mijn antwoord in de lift zou zijn: ‘druk, maar dat is precies zoals ik het wil’. Ik schat in dat dit voor meer wetenschappers geldt. Academici moeten misschien te veel, maar ze willen ook te veel. De lat ligt van nature te hoog. Er is altijd meer werk aan de horizon en voor een zesje gaan zit niet in ons bloed. Dat is vermoeiend, frustrerend, ergerlijk, maar geeft ook energie.

Die zelfopgelegde drukte is er, maar die vormt het probleem niet denk ik. Het gaat mis omdat we wetenschappers in één en hetzelfde malletje willen gieten. Wanneer we ze vragen om ‘excellent’ te zijn in alle opzichten: onderzoek, onderwijs, management, valorisatie. Wanneer we hun agenda roekeloos volplannen en de universiteit een ordinair bedrijf wordt dat alle klanten tevreden wil houden. Creatieve geesten hebben ruimte nodig. Keuzemogelijkheid. Om hun eigen drukte te maken.

Binnen mijn eigen afdeling ben ik gestopt met het produceren van eenheidsworst. Bij mij mag je kiezen: ofwel een carrière als docent ofwel een loopbaan als onderzoeker. Als onderzoeker moet je ook een beetje onderwijs geven, maar doe je toch vooral experimenten in het lab, vraag je beurzen aan, schrijf je artikelen en reis je naar congressen. Als docent werk je aan vernieuwing in het onderwijs, met apps en serious gaming. Daarnaast doen docenten ook onderzoek, maar minder en naar eigen smaak. Ik laat ze met rust op dat onderdeel. Niemand hoeft alles te kunnen, iedereen doet wat hij het liefste doet.

Ik was even bang dat we achterop zouden raken als afdeling, op onderwijsvlak of onderzoek of beide, maar niets daarvan. Waar sterke docenten zich eerst een mislukkeling voelden als onderzoeker en onderzoekers gebukt gingen onder het onderwijs, voelen ze zich nu erkend voor hun primaire talent en geprezen als ze daarnaast nog iets anders doen. Het resultaat is dat iedereen beter is geworden op alle onderdelen. En gelukkiger.

Misschien dat deze kleine afdelingspilot kan inspireren. Wat als we onze jonge mensen nou eens heel goed vragen wat ze willen voordat ze goed en wel aan hun loopbaan beginnen? Help ze met het kiezen van een loopbaanpad-op-maat. Wil je vernieuwend onderzoeker zijn, inspirerend docent, wervelende popularisator, aandachtig clinicus, voorbeeldig leider? Niet ‘en en’, maar ‘of of’. Al die functies zijn nodig binnen universiteit en maatschappij. Samen werken we aan kennisopbouw en -verspreiding. Ik voorspel je: met zo’n aanpak wordt de universiteit heel snel weer een geweldige plek vól energie.

Jeroen Geurts is hoogleraar translationele neurowetenschappen aan het Amsterdam UMC, locatie VUmc.