Recensie

Recensie Boeken

De echte verzetshelden van de Leidse universiteit

Recensie Niet de hele Leidse universiteit kwam tegen de Duitse bezetter in opstand, zoals het idee wil. Maar helden waren er wel, een paar.

Het Rapenburg stroomt vol studenten nadat professor Cleveringa op 26 november 1940 een felle protestrede gehouden heeft.
Het Rapenburg stroomt vol studenten nadat professor Cleveringa op 26 november 1940 een felle protestrede gehouden heeft. Foto NIOD/Beeldbank WO2
    • Bart Funnekotter

Een horzelnest was het, dat nodig moest worden uitgebrand. NSB’er Robert van Genechten sprak op 20 november 1941 klare taal in een interview met een journalist van het ANP. De Rijksuniversiteit Leiden had, aldus Van Genechten, voor het Nederlandse volk „reeds lang elke betekenis verloren” omdat baantjes onderling werden verdeeld en er gesjoemeld werd met de tentamens. Bullen werden zomaar uitgedeeld. Ook was plagiaat er aan de orde van de dag. Het was maar goed dat de Duitsers hard optraden tegen de balsturige universiteit, vond de jurist en econoom die er nota bene zelf enkele maanden eerder door het gelijkgeschakelde bestuur tot hoogleraar was benoemd. Van zijn nieuwe collega’s was Van Genechten duidelijk niet gecharmeerd.

Over de strijd om de ziel van de Leidse universiteit tijdens de bezetting publiceerde Willem Otterspeer onlangs Het Horzelnest. Otterspeer, biograaf van W.F. Hermans en emeritus hoogleraar universiteitsgeschiedenis, heeft een afgewogen boek geschreven. Het idee dat de Leidse civitas academica collectief in opstand kwam – een beeld dat al tijdens de oorlog ontstond en daarna is blijven hangen – verwijst hij naar het rijk der fabelen. „De mythe is het verhaal van het massale protest, de historische werkelijkheid is dat ook in Leiden angst en aarzeling, toeval en tegenslag een grote rol speelden. En de inzet van een enkele held.”

Dé grote held in het boek van Otterspeer is hoogleraar volkenrecht Ben Telders. Waar de capitulatie van 15 mei 1940 de meeste Nederlanders verdwaasd en vol twijfel achterliet, wist Telders onmiddellijk wat hem te doen stond: de bezetter houden aan het geldende recht. In een reeks artikelen in NRC zette hij uiteen tot hoever de macht van de Duitsers reikte, en tot welke medewerking Nederlandse ambtenaren – en dus ook de werknemers van een rijksuniversiteit – verplicht waren. „Meent een ambtenaar iets, dat van hem gevraagd wordt, naar eer en geweten niet te kunnen uitvoeren, dan staat het hem vrij ontslag te nemen en zijn functie neer te leggen.”

Gevoel van richtingloosheid

De heldere blik van Telders was bijzonder, omdat de oorlog een universiteit overviel die aan de crisisjaren een gevoel van richtingloosheid had overgehouden. Was de razendsnelle overwinning van de Duitsers een teken dat de samenleving en de universiteit aan radicale vernieuwing toe waren? Een aantal studenten meende van wel, en een enkele hoogleraar ook. De meesten echter wisten niet wat ze met de situatie aan moesten, onder wie rector magnificus Alexander Byvanck. Otterspeer noemt hem een man meer „voor windstilte dan voor storm gebouwd”.

In deze situatie nam een groepje hoogleraren, geïnspireerd door Telders, het voortouw. Ze noemden zich ‘de kleine krans’ en poogden, aldus een van hen, „in zaken die de universiteit betroffen een nationaal bewuste houding van verzet aan te kweken”. Bij elke anti-democratische maatregel van de bezetter kwamen zij bijeen en zetten de koers uit waar de rest van de senaat der hoogleraren zich – schoorvoetend – naar voegde.

Op 24 oktober 1940 kwam de kleine krans bij elkaar om een reactie te bepalen op het voornemen van de Duitsers Nederlandse ambtenaren de zogenoemde ‘ariërverklaring’ te laten ondertekenen. De bedoeling was om iedereen met één of meer Joodse grootouders vervolgens te ontslaan. Telders werd gevraagd een advies op te stellen. Het werd, aldus Otterspreer, „een klaroenstoot”: ‘Het behoort tot de kostbaarste tradities van ons Nederlandsche volk in het algemeen en de Nederlandsche wetenschap in het bijzonder, dat tusschen de verschillende rassen en tusschen de verschillende godsdiensten met betrekking tot het bekleeden van openbare ambten zoowel als met betrekking tot de waardering hunner wetenschappelijke prestaties geen onderscheid wordt gemaakt.’ Telders baseerde zich in zijn schrijven op de grondbeginselen van het internationaal recht en de bepalingen van het ook door de Duitsers ondertekende Landoorlogsreglement van 1907 dat de bezetter verplichtte ‘de bestaande wetten te respecteren behoudens in geval van volstrekte verhindering.’ Van dat laatste was geen sprake, wist Telders.

De Duitsers lieten zich aan dit protest niets gelegen liggen, en eind november werden de Joodse medewerkers van de universiteit uit hun ambt ontheven. Dit was het moment voor hoogleraar handelsrecht en burgerlijk procesrecht Rudolph Cleveringa, lid van de kleine krans, om naar voren te stappen. Op 26 november hield hij in het Academiegebouw aan het Rapenburg een vurige lofrede op zijn joodse leermeester, de zojuist aan de kant gezette Eduard Meijers. Zijn toespraak had grote gevolgen, want meteen erna brak een studentenstaking uit. Die leidde ertoe dat de Duitsers de universiteit sloten. Afgezien van een korte periode waarin geen colleges mochten worden gegeven maar wel tentamens afgenomen, zou dat de rest van de oorlog zo blijven.

Het verhaal van de rede en de rest van Cleveringa’s leven wordt op indrukwekkende wijze uit de doeken gedaan door Kees Schuyt in de onlangs verschenen biografie R.P Cleveringa. Recht, onrecht en de vlam der gerechtigheid. Het is een monumentaal boek dat aantoont hoe Cleveringa vanuit een diepgeworteld besef van wat juist was – zowel wettelijk als moreel – tot zijn daden kwam. Cleveringa’s leven stond in het teken van plichtsbesef, ten opzichte van het recht, maar ook ten opzichte van zijn collega’s én zijn studenten. Dat maakte dat hij zijn stem wel moest verheffen, aldus Schuyt. „Hij zou in zijn eigen ogen falen als hij op zo’n cruciaal moment van hun vorming tot waarachtige mensen, tot goede juristen, aan hen het verkeerde voorbeeld zou geven.”

Precies denken

Schuyt is erin geslaagd om een bijzonder rijke en veelzijdige biografie te schrijven. Niet alleen Cleveringa’s optreden tijdens de oorlog – met onder meer zijn scherpe kritiek op het functioneren van de Hoge Raad – maar ook zijn wetenschappelijk werk voor en na de bezetting komt uitgebreid aan bod. De passages waarin Schuyt Cleveringa’s artikelen en boeken tegen het licht houdt, zijn ook voor niet-juristen interessant omdat ze laten zien hoe belangrijk precies denken en schrijven is.

Cleveringa overleefde de oorlog, inclusief een verblijf in het Oranjehotel en kamp Vught, en zou uitgroeien tot hét boegbeeld van het Leidse verzet tijdens de bezetting. In zijn nabijheid en die van dappere studenten als de broers Jan en Huib Drion van het verzetsblad De Geus kon de hele Leidse academische gemeenschap schitteren: de speech van 26 november wordt nog steeds jaarlijks herdacht. Dat is de mythe waarbij Otterspeer zijn kanttekeningen plaatst.

Met Ben Telders liep het niet goed af. Na een korte gevangenschap in Scheveningen zat hij in de kampen Vught en Sachsenhausen, om uiteindelijk op 6 april 1945 in Bergen-Belsen te overlijden aan vlektyfus. Het was, uiteraard, Cleveringa die na de bevrijding voor hem een herdenkingsrede uitsprak. Hij stond vooral stil bij Telders’ wetenschappelijke prestaties, zoals hij dat ook bij Meijers had gedaan. Toen het nieuws van de dood van Telders Leiden bereikte, werd men „overstelpt door een verlammend gevoel van rampzaligheid”. Maar dat gevoel van „doelloos treuren” kon niet blijven duren, vond hij. Telders kon het beste geëerd worden door „steeds meer en inniger bezit te nemen van wat hij ons bracht”.