Beminnelijk jurist Van den Haak vertelde politici de waarheid

Harry van den Haak (1929-2019) was een van Nederlands meest ervaren rechters. Na zijn pensioen volbracht hij zijn moeilijkste klus: het onderzoek naar de falende beveiliging van Pim Fortuyn.

Harry van den Haak (midden) overhandigt het rapport over de beveiliging van Pim Fortuyn aan de ministers Remkes (l.) van Binnenlandse Zaken en Donner van Justitie (2002).
Harry van den Haak (midden) overhandigt het rapport over de beveiliging van Pim Fortuyn aan de ministers Remkes (l.) van Binnenlandse Zaken en Donner van Justitie (2002). foto Ed Oudenaarden / ANP

De rechtstatelijkheid zelve, een jurist met bestuurlijke invloed en een beminnelijk mens.

Zo wordt Harry van den Haak, onder meer oud-president van het Amsterdamse gerechtshof, getypeerd door vrienden en collega’s. Van den Haak overleed op 7 mei op 89-jarige leeftijd.

Als president van het hof werd Van den Haak bekend vanwege zijn hekel aan politici die zich laatdunkend over rechters en hun vonnissen uitlieten, al verwoordde hij die ergernis meestal diplomatiek. Toen de Haagse rechtbank begin 1999 een deel van de Varkenswet buiten werking stelde, sprak toenmalig minister Gerrit Zalm (Financiën, VVD) van ‘een bizar vonnis’. De bewindsman toonde daarmee weinig respect voor de onafhankelijke rechterlijke macht, zei Van den Haak in Trouw.

Nee, dan liever de reactie van premier Wim Kok die over hetzelfde vonnis had gezegd: „De rechter heeft gesproken en dat oordeel moeten we respecteren. En overigens gaan we nog in hoger beroep.” Van den Haak: „Dát is wat je als rationele reactie van een bestuurder mag verwachten”. Niet toevallig kreeg Kok een uitnodiging als spreker voor het symposium Schurende machten, maart 1999. Met dat symposium over de drie staatsmachten, de trias politica, nam Van den Haak afscheid als hofpresident.

Appelsap en cassis

Het aanbod van een feestelijke, met drank overgoten afscheidsreceptie had Van Den Haak afgeslagen. Katholiek van huis uit, was hij dat meer in geloof dan in levenskunst. Jurist Johannes Mendlik, een leerling van Van den Haak, vertelt: „Toen wij naar zijn installatie in Alkmaar waren gegaan, was onze verbazing groot bij het proeven van de tijdens de receptie aangeboden glazen. Die bleken in plaats van witte en rode wijn appelsap en cassis te bevatten.”

Landelijke bekendheid kreeg Van den Haak als voorzitter van de commissie die de toedracht van de moord op Pim Fortuyn in 2002 onderzocht. Na de schokgolf van de aanslag is de aandrang van politiek en bestuur groot om een zondebok aan te wijzen. Van den Haak cum suis wisten zich redelijk aan die druk te onttrekken. De commissie concludeerde dat inlichtingendienst BVD veel steken had laten vallen. Maar ook dat de politiek ten onrechte Fortuyn geen persoonsbeveiliging had gegeven.

Lees ook dit archiefstuk uit 2002: Wie deed wat fout rond de beveiliging van Fortuyn?

Van den Haak oogstte er niet de eeuwige dankbaarheid mee van de BVD, die zich onvoldoende begrepen voelde. Maar het kabinet-Balkenende nam de belangrijkste conclusies van het rapport wel over, en stelde even later de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding in. Die moest de persoonsbeveiliging van politici krachtdadig ter hand nemen.

Ook op andere manieren had Van den Haak bestuurlijk invloed, memoreert Govaert Kok, oud-president van het hof in Den Bosch. Hij bouwde mee aan een nieuwe rechterlijke organisatie waarin meer aandacht kwam voor efficiency en management. Van den Haak wist in het zogenaamde Torentjesberaad van een delegatie van de rechterlijke macht met minister-president Lubbers, minister Korthals Altes (Justitie) en minister Ruding (Financien) te bereiken dat er aanzienlijk meer geld voor de rechterlijke macht uitgetrokken werd. Kok: „Voorwaarde van de regering was wel dat de rechterlijke macht loyaal en constructief zou meewerken aan meer efficiency in het rechterlijk bedrijf. Dat werd toegezegd.”

Van den Haak werd geboren in Haarlem in 1929 en studeerde rechten aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. Na zijn afstuderen in 1953 werkte hij korte tijd bij de kinderbescherming, maar al snel koos hij voor een functie bij de rechterlijke macht. Hij werd rechter in Breda, in 1973 president in Alkmaar, in 1978 president in zijn geboortestad Haarlem en van 1990 tot zijn pensionering in 1999 was hij hofpresident in Amsterdam. Met, opgeteld, 26 dienstjaren (1973-1999) als president, was hij volgens Kok een van de langstzittende presidenten binnen de rechterlijke macht.