Opinie

    • Willem Pekelder

Toonder

Vrouwen met zijden shawls, mannen met hoeden en zelfs eentje in een klassieke gabardine regenjas. Een uitgelezen gezelschap verzamelde zich op 2 mei, verjaardag van wijlen Marten Toonder, rond diens monument aan de Kolk.

Gastheer was dichter Manuel Kneepkens, niet alleen geestelijk vader van de hommage, maar ook van het beeld zelf. Als raadslid van de Stadspartij, tot 2006, diende hij een motie in om Toonder een aandenken te geven. Directe aanleiding was de laatste Bommel-strip, Het einde van eindeloos. „Daarin dreigt Slot Bommelstein op last van wethouder Kneep te worden gesloopt ten behoeve van een nieuwe wijk Buitenrommel”, vertelde Kneepkens. „Wel, dat heb ik mij als ‘raadslid Kneep’ natuurlijk bijzonder aangetrokken.” De motie werd met algemene stemmen aangenomen. „Een unicum”, mompelde het oud-raadslid.

En zo wordt Toonder nu jaarlijks herdacht in zijn geboorteplaats Rotterdam. Een stad waar hij niet echt dol op was, zo bleek uit een lezing van Paul Hellmann, die als pleegzoon onderdak vond bij de Toonders in het Gooi. „Met iets van wellust vertelde Marten over al die grijze, grauwe, uitzichtloze straten, waar hij gedwongen was zijn jeugd door te brengen. En over de naargeestige zondagmiddagen waarin hij met zijn moeder en broer op weg ging naar saaie verjaars- of theevisites bij al even saaie ooms en tantes, steevast wonend in donkere huizen met cactussen.”

Over het uitgaansleven was de Bommel-schrijver wel opgetogen, wist Hellmann. „De danslessen bij Meyer et Fils, de bals in de Diergaardesociëteit, het thé dansant bij Caland of, beter nog, de glazen dansvloer bij Pschorr. De stad ook waar de meisjes in niet-getailleerde korte jurkjes en de jongemannen met hoeden, souspieds en wandelstokken flaneerden over de Essenburgsingel, de Rotterdamse Rivièra.”

Ook uit een lezing van Hein Meijers, oud-hoofdredacteur van Quod Novum, sprak Toonders ambivalentie ten opzichte van de Maasstad. „Toen ik hem in 1985 vroeg of ambtenaar der eerste klasse Dorknoper was gebaseerd op een Rotterdamse ambtenaar, antwoordde Toonder: Niet op één, maar op een hele reeks.”

Een haat-/liefde-verhouding dus. Wat Rotterdammers niet belet om zelf nog wel innig van Marten Toonder te houden.