RSI, wat moet ik ermee?

Gezondheidszorg Na de diagnose RSI zag NRC-redacteur zo’n 20 artsen en therapeuten en concludeert: RSI is wat je zelf besluit dat het is.

De fotoserie House/hold, een kunstproject van Csilla Klenyanszki, brengt yogasessies in beeld, gecombineerd met huishoudelijke klusjes. De serie is onderdeel van een groter onderzoeksproject over de positie van vrouwen in de westerse samenleving. House/hold transformeert het huis in een ruimte voor meditatie waarbij huishoudelijke objecten als basiselementen worden gebruikt.
De fotoserie House/hold, een kunstproject van Csilla Klenyanszki, brengt yogasessies in beeld, gecombineerd met huishoudelijke klusjes. De serie is onderdeel van een groter onderzoeksproject over de positie van vrouwen in de westerse samenleving. House/hold transformeert het huis in een ruimte voor meditatie waarbij huishoudelijke objecten als basiselementen worden gebruikt.

Maand 1: De fysiotherapeut

„Ja, dan moet je toch echt gaan denken aan de Ziektewet.” Het voelt alsof iemand een zak natte cement in mijn gezicht gooit.

De fysiotherapeut is een gebruinde, pezige man, zo iemand die alles onder controle heeft en nooit in de Ziektewet hoeft. De afgelopen paar keer heeft hij me gemasseerd, mijn nek gekraakt en een sportpleister op mijn arm geplakt, zonder resultaat.

Sinds een paar weken heb ik pijn in mijn hand, pols, elleboog en onderarm, een pijn die erger wordt als ik veel typ. Soms zijn de zeurende pijn en de vermoeidheid in mijn arm zo erg dat ik hem bij de schouder wil afschroeven en in een bedje leggen. De conclusie van de fysiotherapeut: ik heb RSI en ben niet door hem te redden. Ik moet tijdelijk stoppen met werken.

Ik dacht dat RSI samen met grote kaki broeken en tamagotchi’s was achtergebleven in de jaren negentig, maar kennelijk bestaat de aandoening nog steeds. Tegenwoordig heet die KANS, kort voor ‘klachten aan de arm, nek en/of schouder’.

Maand 2: De yin yoga-docent

„En nu mogen jullie al jullie organen een kleur geven.” De yin yoga-docente, hoogzwanger en rozig van geluk, geeft in kleermakerszit instructies aan de groep. Het is een luie vorm van yoga, waarbij je allerlei attributen mag gebruiken zoals kussentjes en bakstenen van kurk. Ik ging erheen op aanraden van een vriendin die dacht dat dit een wondermiddel zou zijn tegen RSI. Normaal wimpel ik dit soort adviezen af, maar inmiddels zit ik al ruim een maand overwegend thuis en kijk ik net iets meer dan gezond voor me is op fora voor mensen met onverklaarbare fysieke klachten. Na een uurtje rondklikken voel ik me meestal erg gedeprimeerd, maar dan probeer ik mezelf wijs te maken dat de mensen op de fora niet echt bestaan – dat ze verzinsels zijn van iemand met heel veel tijd, nog meer tijd dan ik.

Inmiddels heb ik van vrienden en kennissen zo veel adviezen gekregen dat ik niet weet waar te beginnen. Dry needling, acupunctuur, zwemmen, ergonomische toetsenborden, meditatie, iedereen noemt weer iets anders. Ik leg deze opties voor aan de bedrijfsarts. Maar zij kan me niet helpen: „Elke vorm van RSI is anders.”

Beter gezegd: RSI is niet echt iets, zo ontdek ik. Onder de verzamelnamen RSI of KANS vallen ‘echte’ aandoeningen als carpaletunnelsyndroom, maar ook vage klachten gebundeld als ‘aspecifieke KANS’, een naam die ik erg grappig zou vinden ware het niet dat ik zelf in deze categorie val. Artsen – ik bezoek er verschillende – kunnen me dus niet de duidelijkheid geven waarnaar ik verlang.

Om mezelf af te leiden ging ik naar dit yin yoga-experiment. Maar het lukt me niet om mijn organen een kleur te geven. Liggend in de halfduistere zaal denk ik aan wat ik die avond zal eten, aan kleine dingetjes die ik toch nog kan doen voor de krant, aan de mensen om mij heen. Dan is de les afgelopen, de docente staat ineens naast me. „Jij had nog niet betaald hè?” zegt ze met een harde, zakelijke stem, haar rozigheid van net helemaal verdwenen.

Maand 4: De oefentherapeut

PANG! Een van de ballonnen knapt, precies waar ik bang voor was. De oefentherapeut en ik zaten net allebei op een ballon. „Zo leer je te ontspannen in spannende situaties.” Ik probeerde uit te leggen dat ik bang ben voor harde knallen, dat ik bij het ontkurken van de champagne altijd een blokje om ga. Ze was er niet van onder de indruk, ik moest en zou op de ballon. „Heb vertrouwen, het gebeurt bijna nooit dat-ie kapotgaat.” Ze is nog niet uitgesproken of haar ballon knapt met de hardst mogelijke knal. Toch weet ze me zo gek te krijgen weer te gaan zitten. Zelf neemt ze plaats op een nieuwe. En, hoe is het mogelijk, die ontploft even later óók. Inmiddels ben ik zo kwaad dat ik het liefst alles kort en klein zou slaan. Ik stel me voor hoe ik geboeid word afgevoerd terwijl ik het probeer uit te leggen aan de agenten: „Maar ze liet me op een ballon zitten! Terwijl ik dus niet tegen harde knallen kan!”

Bij deze oefentherapeut zit ik inmiddels een paar maanden. Ze kijkt naar mijn houding (ik sta verkeerd) maar ook naar de verbinding tussen lichaam en geest. Daar gaat het mis, want ik versta haar taal niet. Ze grijpt me bijvoorbeeld in m’n flank en zegt zorgelijk: „Je bent hier helemaal leeg.” Leeg? Als een chocoladesinterklaas? Ik begin me een freak te voelen, een brein dat geen contact kan maken met het bijbehorende lichaam.

Op haar advies ga ik wandelen, elke dag minstens een uur. Maar onderweg zie ik overal mensen van en naar hun werk fietsen of met collega’s lunchen in de zon.

Maand 5: De shiatsutherapeut

De shiatsutherapeut drukt heel hard op een punt ergens op mijn been. Dit punt schijnt in contact te staan met mijn elleboog, die al maanden zo veel pijn doet dat ik geen boodschappen meer kan tillen. De vriendin die me eerder naar yin yoga stuurde heeft me nu deze man aangeraden, een Japanner die voorheen furore maakte in het Amsterdamse Okura Hotel.

In de tussentijd probeer ik van alles. Ik heb spraakherkenningssoftware aangeschaft, maar die blijkt een kwelling. Schrijven gaat vaak met schaamte gepaard en moet dus in het geheim worden gedaan, niet hardop. Bovendien lijkt de pijn zich te verplaatsen. Wanneer ik toch een stuk heb ingesproken en denk daarmee de RSI omzeild te hebben, krijg ik prompt de ergste hoofdpijn. Mijn chef raadt me aan het werken voorlopig helemaal op te geven.

Foto Csilla Klenyanszki

Ik had altijd een idyllisch beeld van lang thuiszitten: lekker veel lezen, mijn kamer opruimen, me bekwamen in het maken van ingewikkelde gerechten. In werkelijkheid lig ik veel in bed of zit ik op de bank met mijn linkerhand Twitter te refreshen.

Maand 6 – 7: Boek van een psychiater

Ik moet The Mindbody Prescription van John Sarno lezen, zegt een vriend. „Een vriendin van me had RSI en die is genezen door dit boek. Alleen maar door het te lezen.” Ik geloof er niks van, maar het is niet alsof ik iets beters te doen heb.

John Sarno zegt dat aandoeningen als RSI een volledig psychische oorzaak hebben. Ze zijn het resultaat van emoties (vooral woede) die het brein niet aan de oppervlakte toelaat. Om je af te leiden creëert dat sluwe brein een bepaalde pijn, die ervoor zorgt dat je je daarop richt – en de emoties niet opmerkt.

Ik wil hier graag in geloven, omdat de oplossing (wél aandacht besteden aan de emoties) zo makkelijk lijkt. Ik leg Sarno’s hypothese voor aan de oefentherapeut en de huisarts. „Ja, RSI heeft zeker ook een mentale component”, zeggen zij. Maar volgens Sarno is de aandoening helemaal mentaal, zeg ik. Dat is wel even iets anders. Hierop hebben ze niet echt een antwoord. De oefentherapeut zegt dat ik niet moet proberen alles rationeel te doorgronden. Inmiddels dringt tot me door dat niemand écht een idee heeft van wat ik mankeer. Ik zuig de teksten van zorgverleners op alsof ik tegenover het Orakel van Delphi zit, maar elk orakel kletst maar een eind in de rondte.

Maand 8: De handchirurg

„Ja ik zie het al, je hebt midcarpale instabiliteit.” De handchirurg rukt aan mijn pols. Echt een schoolvoorbeeld van midcarpale instabiliteit zelfs, zegt hij. Hij wordt er helemaal blij van. „Mag ik er een collega bij halen? Zo extreem heb ik het nog nooit gezien!” Ik vind alles best. Ik heb vijf weken moeten wachten op de afspraak met deze handchirurg, die is gemaakt op aanraden van de huisarts. Die vond het na een half jaar RSI wel eens tijd worden voor de blik van een expert.

Deze therapie lijkt mijn laatste redding, ironische distantie gaat me niet helpen

De handchirurg heeft goed nieuws voor me: ik kan in handtherapie in de handkliniek. „U heeft het alleen over mijn pols. Maar ik heb pijn in mijn hele arm. Hoe komt dat dan?”, zeg ik. „Ja dat weet ik niet, het zou uitstraling vanuit de pols kunnen zijn.” Dat is vreemd, want de andere artsen zeggen juist dat de pijn vanuit mijn schouder naar mijn pols straalt. Dat kan toch niet allebei waar zijn? Helaas, op niet-handgerelateerde vragen blijkt hij geen antwoord te hebben. „Ik ben handchirurg, van de rest van de arm weet ik niks.”

Maand 9: De revalidatiearts

„Wie is Floor Rusman?” De revalidatiearts, een soort spichtige vogel, kijkt me afwachtend aan. Op aanraden van de bedrijfsarts ben ik naar dit intakegesprek gegaan voor een traject bij een revalidatiecentrum. Het afgelopen half uur heb ik het RSI-verhaal, inclusief allerlei persoonlijke details, verteld aan de psychotherapeut van het centrum. Waarom moet het nu bij de revalidatiearts opnieuw? Kunnen deze mensen niet gewoon met elkaar communiceren?

„Vertel eens wat over jezelf”, dringt de arts aan. „Wie ben jij?”

Ik wacht tot er vanzelf woorden bij me opkomen, maar mijn hoofd blijft leeg.

Na nog wat vragen die me op de een of andere manier ongelooflijk irriteren, klittebandt de arts ineens een bloeddrukmeter om mijn arm. Wanneer ze het resultaat afleest, reageert ze geschokt. „Je hebt een zeer hoge bloeddruk. Dit is potentieel gevaarlijk. Ik raad je aan om drie keer naar de huisarts te gaan en je bloeddruk te laten meten, zodat je zeker weet of die inderdaad te hoog is.”

Die nacht kan ik niet slapen van angst. Ik heb ‘hoge bloeddruk’ gegoogeld en weet inmiddels dat die in het uiterste geval kan leiden tot een hartinfarct. Mijn hart schiet als een flipperbal door mijn borstkas, ik weet bijna zeker dat ik de ochtend niet zal halen.

De volgende morgen blijkt er niks aan de hand te zijn, mijn bloeddruk is normaal volgens de huisarts.

„Die revalidatiearts moet zelf behandeld worden, als ze mensen zo gestrest maakt.”

Maand 10: Het multidisciplinair behandelteam

We hebben SOLK. Dat hebben we net gehoord van de revalidatiearts, een andere dan de vorige keer. Deze ziet er niet uit als een vogel en hij draagt groene suède chelsea boots. Op de een of andere manier stelt het me gerust dat hij een goede smaak heeft.

De arts staat voor een whiteboard op de zesde verdieping van een kantoorgebouw in de Bijlmer. Ik ben inmiddels toegelaten tot een traject bij het ‘interdisciplinair behandelteam’ van dit revalidatiecentrum. Er zit geen handchirurg in het team, hier geloven ze niet in dingen als midcarpale instabiliteit.

SOLK staat voor somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten, zegt de revalidatiearts. Als pijnklachten zonder aanwijsbare oorzaak langer dan enkele weken aanhouden, vallen ze in deze categorie. Op het whiteboard tekent hij een vicieuze cirkel. Die leidt van de aanvankelijke blessure via minder bewegen en piekeren naar algehele malaise en allerlei pijnen, en mogelijk ook paniekaanvallen. De oplossing ligt dan volgens dit revalidatiecentrum niet in het bezoeken van nog meer artsen, maar in het leren omgaan met de situatie zoals die nu is. Dit komt uit de Acceptance and Commitment Therapy (ACT), een nieuwe vorm van cognitieve gedragstherapie.

De week erop begint het traject: twee weken lang elke dag groepstherapie, fitness en mindfulness met zes andere SOLK-lijders. Ik heb me voorgenomen mijn gebruikelijke scepsis zoveel mogelijk uit te schakelen. Deze therapie lijkt mijn laatste redding, ironische distantie gaat me niet helpen.

Foto’s Csilla Klenyanszki

Tot mijn verbazing blijkt de groepstherapie hartstikke leuk. Ik ben de enige RSI-lijder, de anderen hebben bijvoorbeeld een burn-out, fibromyalgie, prikkelbare-darmsyndroom en frozen shoulder. Maar de overeenkomsten zijn ook duidelijk. Iedereen is perfectionistisch, snel gefrustreerd en slecht in het stellen van grenzen. De meesten zijn ook erg lief. Een introverte man met rugklachten neemt elke dag een zakje pelpinda’s voor me mee, een bijdehante dame met tattoo’s en roze sportschoenen legt zachtjes haar handen op de mijne als ik aan dingen zit te plukken.

Op dag één is de eerste persoon al in tranen, op dag drie ikzelf ook. Na een week voel ik een diepe liefde voor mijn groepsgenoten, de therapeuten en het bedrijventerrein in de Bijlmer waar het centrum is gevestigd. Na twee weken denk ik dat alles goedkomt.

Maand 11: De bedrijfsarts

„Ik denk dat ik wel weer fulltime kan werken.” De nieuwe bedrijfsarts, een lieve vrouw die me doet denken aan mijn oude pianolerares, kijkt me meewarig aan. „Ik denk niet dat je daar klaar voor bent. Je moet het héél langzaam opbouwen.” Twee uur per dag, daar begint het mee.

Ze blijkt gelijk te hebben. Ik wil zó graag bewijzen dat ik alles nog kan, dat ik onmogelijke eisen aan mezelf stel. „Dit moet hét definitieve stuk worden over botsende grondrechten”, denk ik verbeten terwijl ik mijn eerste artikel in een half jaar schrijf, over een uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens. Met mijn arm gaat het goed, maar direct na dat eerste artikel krijg ik last van paniekaanvallen, hartkloppingen en hyperventilatie. Ik snap er niets van: alles kwam nu toch goed?

Lees ook het interview met bedrijfsarts Willem van Rhenen: ‘We werken niet te veel, we laden te weinig op’

Bij een terugkomdag in de Bijlmer stellen ze me gerust: reïntegreren is vallen en opstaan, en nu ben ik even aan het vallen.

Maand 15: De psychomotorisch fysiotherapeut

„Je weet dat je mooie dromen kunt uitnodigen, hè?” zegt ze, met de stem van iemand die iets overbodigs vertelt. Ik was onderweg naar de uitgang en sta nu stil in de deuropening. Zie ik eruit alsof ik dat weet? De psychomotorisch fysiotherapeut spreidt haar armen omhoog, in een trechtervorm. „Kijk, zo kun je ze vragen naar je toe te komen.”

Ik werk inmiddels zes uur per dag. De paniekaanvallen zijn voorbij maar mijn klachten zijn nog niet helemaal weg – vandaar dit uitstapje naar de psychomotorische fysiotherapie, die belooft de brug te slaan tussen lichaam en geest. Het is de vijftiende maand sinds ik RSI kreeg, deze vrouw is ongeveer de twintigste zorgverlener die ik spreek, en ze praat nu tegen me over mijn onderste chakra’s. Mijn geest lijkt zich los te maken van mijn lichaam en op te stijgen tot plafondhoogte – precies niet het doel van dit bezoek.

Maand 25: Aan het werk

Al ruim een half jaar werk ik weer fulltime. De chakravrouw heb ik ingeruild voor een psychomotorisch fysiotherapeut met parelmoeren nagellak die tijdens het praten op een merkwaardig rustgevende manier fladdert met haar handen.

Van de RSI-klachten merk ik niks meer, met de andere stressklachten kan ik steeds beter omgaan, de Ziektewet voelt als lang geleden.

Dan schrijf ik dit artikel en prompt voel ik een zeurende pijn in mijn hand. Oh lichaam, wat ben je toch onbegrijpelijk. Het is nu twee jaar geleden dat de pijn begon en nog steeds weet ik niet wat er precies is gebeurd.

Ik dacht altijd dat artsen toegang hadden tot de Waarheid: dat verschillende dokters met wat goed zoekwerk allemaal tot dezelfde conclusie zouden komen. Maar RSI bleek een postmodern grabbeltonnetje: het is wat jij besluit dat het is. Ik had ervoor kunnen kiezen te geloven in de psychoanalytische theorie van John Sarno, of in een van de andere verklaringsmodellen uit de medische richtlijn voor SOLK-lijders.

Maar inmiddels heb ik ook iets anders geleerd, namelijk dat het voor je herstel niet nodig is om alles te begrijpen. Uiteindelijk weet ik niet wat ervoor gezorgd heeft dat de pijn verdween. Het zal een combinatie zijn van dingen die ik geprobeerd heb: de rust, de revalidatie, andere therapieën, de nieuwe functie die ik kreeg op mijn werk, misschien zelfs mijn nieuwe fiets met een hoger stuur.

Eerst frustreerde het me dat ik niet wist hoe groot het aandeel in mijn herstel was van al deze dingen. Het liefst had ik een cirkeldiagram gemaakt: ‘De nieuwe fiets heeft voor 12 procent bijgedragen aan het herstel, de revalidatie voor 46 procent’, et cetera. Maar sommige dingen blijven een mysterie.

Wanneer mijn arm of hand weer pijn doet, ga ik niet meer driftig op zoek naar de oorzaken. In plaats daarvan ga ik een stukje wandelen, doe ik wat ontspanningsoefeningen of ga ik gewoon iets leuks doen. Hiermee maak ik de ratio wat minder belangrijk en dat is ook wel eens leuk.

Een vriend zei eens tegen me dat hij zijn lichaam als een vehikel zag om zijn hoofd van A naar B te brengen. Zo dacht ik er ook over, totdat ik RSI kreeg. Wie chronische pijn heeft, kan het lichaam niet met dédain behandelen. En als die pijn iets duidelijk maakt, is het dat dat hoofd ook niet alles snapt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.