Recensie

Recensie Boeken

Nadat haar affaire aan het licht is gekomen vertrekt ze naar Nederland

Astrid H. Roemer Gebroken Wit bevat alle ingrediënten om er een van Roemers beste romans van te maken. Maar het blijkt onleesbaar te zijn.

    • Thomas de Veen

Toen Astrid Roemer in 2016 de P.C. Hooft-prijs voor haar literaire proza ontving, motiveerde de jury die keuze met argumenten die zowel vorm als inhoud betroffen: ‘Ze verhaalt over ervaringen van ontworteld raken, en doet dat in een proza dat zich losmaakt van literaire conventies.’ Haar oeuvre rust voor een groot deel op een leven in Suriname en Nederland, waarbij het eerste land wegzakt in een moeras, het tweede land niet de verlossing biedt waarop werd gehoopt, tussen nostalgie en desillusie. Het is de literaire verbeelding van die persoonlijke ervaringen, in proza dat zich niet altijd conformeerde aan de heersende orde.

In de boeken die Astrid H. Roemer (1947) sinds de bekroning met de oeuvreprijs publiceerde, moest je haar non-conformisme wel als een zwaarwegend eufemisme aanvoeren om je tot de vorm te kunnen verhouden. Liefde in tijden van gebrek (2016), haar ‘memoires van een thuisloze’, moest je anders verslijten voor een oeverloos en warrig verslag van een schier oneindige zwerftocht. En Olga en haar driekwartsmaten (2017) was in feite een breed opgezette familieroman die in het keurslijf van de novelle was gepropt, waardoor perspectieven en verhaallijnen in een onontwarbare kluwen verstrikt raakten. De vorm zat de inhoud in de weg.

Het Surinaamse nest

De familieroman, Roemers meest vertrouwde genre, is ook weer de vorm van haar nieuwe roman Gebroken Wit en de inhoud, het uitgesponnen familieverhaal, krijgt meer noodzakelijke lucht, meer ruimte – meteen al. Vroeg in het verhaal kun je je dan ook verheugen over een zin als: ‘Grootmoeder was weer aan de keukentafel gaan zitten en keek ernstig naar hoe het wasgoed aan de molen zich droog holde in de wind.’ Dat is een prachtig beeld, waarin je, later eraan terugdenkend, ook al een zweem van de tragiek van de roman kunt voelen. Je ziet de wapperende witte was voor je als opbollende zeilen, terwijl de oude vrouw tevreden toeziet hoe ze bewegen, zonder ooit van hun plek te komen.

Tekening: Paul van der Steen

Gebroken Wit gaat over het gezin Vanta, dat vooral nog bestaat uit vrouwen die door voorbijgaande mannen met kind geschopt zijn. Drie generaties toont Roemer: de grootmoeder die de roman opent door bloed op te hoesten, het gezin van moeder Louise en haar resterende kinderen, en Heli, de oudste dochter die net het Surinaamse nest verlaten heeft om het geluk in Nederland te zoeken. Het helpt om te weten dat de H. in Roemers naam staat voor Heligonda, waarmee Heli, ook de enige die als ik-verteller optreedt, de vanzelfsprekende kern van de geschiedenis wordt. Die nadruk moet je zelf even leggen, lezend: Roemer heeft de neiging om ieder personage evenveel gewicht toe te bedelen, elk van hun verhalen even breed en traag uit te meten, terwijl de spanning en de energie vooral in het verhaal van de vertrekkende Heli zitten.

Heli gaat naar Nederland nadat een affaire met een docent aan het licht is gekomen, Astrid Roemer vertrok zelf ook als jonge vrouw uit Suriname, na een lange liefdesrelatie met een getrouwde man. Die tragiek, van een onmogelijke, ongelijke, maar wel liefdevolle relatie, komt door Roemers hele oeuvre en ook nu weer in de hele roman terug, in allerlei verhaallijnen, over misbruik uit het verleden, incestueuze voorvallen. En in het algehele thema van de roman: de altijd ongelijk gebleven, verbroken verhouding tussen Nederland en Suriname. ‘[D]e halve stad was langzamerhand naar Holland verhuisd’, constateert grootmoeder, die nu stervend achterblijft. De titel van het boek komt ook op verschillende manieren terug: als ‘de kleur van bittere en zoete amandelen als je er het donkerbruine velletje af pelt’, maar ook als de bittere naam die de Vanta’s graag geven aan hun huidskleur, die door de veelkleurige voorvadergenen bij elk nieuw kind weer spannend is – hoe lichter het kind, hoe voornamer en kansrijker het is.

Onbedaarlijk snikken

Zo zijn alle ingrediënten in Gebroken Wit aanwezig om het een van Roemers beste boeken te maken, maar de vorm blijft ver achter bij de inhoud. Dat begint al met kleine stilistische ontregelingen: Roemer schrijft consequent ‘tegenmoet’ waar ‘tegemoet’ bedoeld was, ‘in staat’ wordt steeds ‘instaat’ (in: ‘instaat zijn’), en om onverklaarbare redenen schrijft ze ‘bijeenrapen’ als ‘bij-één-rapen’. En ook zoiets geks kleins: waarom heet de roman Gebroken Wit, met twee hoofdletters, terwijl ze binnenin ‘gebroken-wit’ spelt? Maar ook haar kommagebruik bevreemdt nogal eens: als het na het woord ‘want’ staat bijvoorbeeld, in plaats van ervoor. Haar zinnen gaan daarvan haperen, raken verknipt. En soms ontbreekt een gehoopte komma juist weer. Eigenzinnige woordvolgordes, in combinatie met Roemers bekende neiging tot plechtstatigheid en hang naar grote emoties, leveren zinnen op als: ‘Had ze dat maar niet gedaan want in een onbedaarlijk snikken barst grootmoeders vierde kind uit.’ En wanneer Heli vertelt over de Surinaamse Cate, die ze in Nederland ontmoet, staat er een zin waar ik echt een poosje naar moest turen: ‘Cate zo dichtbij is haast als weer wonen in mijn geboortestad.’ (Het woord ‘hebben’ invoegen had zoveel verholpen.)

Monotone monoloog

Verknipte zinnen zou je nog, in opperste welwillendheid, als een betekenisvolle stilistische keuze kunnen beargumenteren – áls die zwervende komma’s het proza tenminste van interessante dubbele betekenissen zouden voorzien, en niet slechts nodeloos zouden verwarren. Nu voelt het alsof niemand de tekst heeft nagelezen voor publicatie. Daar komt nog bij dat Roemer in Gebroken Wit, in tegenstelling tot ander werk, uiterst spaarzaam is met alinea’s – meestal plamuurt ze alle regels vol – en bij dialogen geen aanhalingstekens plaatst. Proustiaans of onleesbaar? Ik neig naar dat laatste. Het effect is dat je leest alsof je luistert naar een monotone monoloog.

Lees ook het interview met Astrid Roemer uit 2016: ‘Ik maak sculpturen van taal’

Je veert nog af en toe op van een opvlammende zin: ‘Ik was als droog hout dat vlam vatte door de vonken die spatten uit de ogen van Derik.’ Maar een paar regels verder verzandt dat gevoel in plechtstatigheid: ‘Ik tintel op plekken in mijn onderbuik die ik heilig acht en teder bewaak.’ En nog steeds op dezelfde bladzijde raak je verstrikt in een beeldenstorm: ‘Troost komt met de overtuiging dat het allermooiste zich altijd slechts één keer laat zien, zodat in mijn brein een onverslijtbaar stempel blijft, waarin elke volgende liefdesbrief zal worden gespiegeld.’ Zo wordt een vergeeflijke uitschieter, een bladzijde verder, alleen nog vermoeiend en echt too much: ‘haar stem was licht als het fladderen van een kolibrie die diep in mij naar nectar zocht’.

Moegezocht en moegefladderd stort die kolibrie ter aarde.