Recensie

Recensie Beeldende kunst

De dreiging zit niet in de kunst, maar in de jaartallen

Entartete kunst De tentoonstelling ‘Duitse expressionisten’ toont felle natuurlandschappen en andere individuele taferelen. Je zou bijna vergeten wat de kunstenaars boven het hoofd hing.

Grote dierentuin van August Macke(1913).
Grote dierentuin van August Macke(1913). Foto Jürgen Spiler.

Een man zit te lezen, naast hem kijkt een hond in de verte, en ziet wat de man niet ziet: een meer in de verte, huizen tussen het groen, een kronkelende weg. Een vredig beeld zonder een spoor van dreiging is dit ‘Landschap aan het Tegernmeer’ van August Macke. Het werd voltooid in 1910, en het onheil dat onderweg was, werd in elk geval door Macke niet voorzien, ook niet op de andere schilderijen die van hem te zien zijn op de tentoonstelling over ‘Duitse expressionisten’ in het museum Singer Laren.

Mackes ‘Boom in korenveld’ (1907) is zonnig en licht, de ‘Ruiters en wandelaars in de laan’ (1914) lopen op hun gemakje door een kleurig landschap, en het prachtige, grote drieluik ‘Grote dierentuin’ (1912) is bijna kinderlijk in zijn vrolijke weergave van dieren en bezoekers. Mens en natuur in harmonie, de olifant telt niet meer mee dan de kaketoe.

Nog geen jaar na de voltooiing van dit schilderij sneuvelt Macke bij een van de eerste veldslagen van de Eerste Wereldoorlog. En wie van de Duitse expressionisten de oorlog wel overleefde, kwam terecht in een kapot land waar de rol van kunst knap ingewikkeld was. Met de opkomst van het nazisme, werd realistische kunst de wettelijke standaard: de levendige, kleurige en abstracte kunst van het expressionisme werd als ‘entartet’ veroordeeld.

Terwijl de expressionisten chronologisch tentoongesteld worden in Singer Laren, sluit de tentoonstelling af met enkele kunstwerken waarin gereflecteerd wordt op het nazi-tijdperk zelf: zoals ‘Het afscheid’(1941) van Henri Laurens, een beeld waarop een menselijk figuur in zichzelf lijkt weg te vluchten. Of de schilderijen en tekeningen van Max Beckmann. Ze zijn grauw, somber en maken een ongemakkelijke, bijna gewelddadige indruk.

Lees ook: ‘Jawlensky’s spirituele meditaties in gloeiende kleuren

De overgang van voor het nazisme en tijdens zoals hier tentoongesteld, is abrupt en vreemd. Je krijgt het effect te zien van de donderslag die de kunstenaars moeten hebben ervaren. Dat de nadruk in Laren ligt op het vroegere werk, heeft te maken met de herkomst van het werk dat tentoongesteld is: vrijwel alles komt uit de collectie van Museum am Ostwall in Dortmund, dat zich vanaf 1949 richtte op het verzamelen, en ook redden, van de ‘entartete’ kunst die in de jaren dertig vaak in beslag werd genomen.

Het Dortmunds museum wilde eerherstel geven aan de kunstzinnige aspecten van dat werk, en het niet louter als voorbeeld beschouwen van waar de nazi’s een hekel aan hadden. Door dat accent krijg je heel andere dwarsverbanden, zoals de ‘Zonnebloemen’ (1903) van Christian Rohlfs, die er een beetje verlept bij hangen, alsof hij ‘Vincents zonnebloemen, een maand later’ wilde maken. Mooi zijn ook de natuurschilderijen van Emil Nolde, die soms onderweg lijkt naar een Rothko-achtig kleurgebruik. Het enige wat onheil verraadt zijn de jaartallen, maar dit zijn grotendeels werken die niets met de maatschappij te maken hebben. Ze zijn het resultaat van de kunstenaarsidealen, die leiden tot felle, onnatuurlijke maar vaak vrolijke kleuren. Lopend door de eerste zalen, zou je bijna vergeten wat hen boven het hoofd hing.