Antarctica leeft van pinguïnpoep

Voedselweb Niet de temperatuur, maar de poep van pinguïns en zee-olifanten regelt het bestaan van een uitgebreid voedselweb op Antarctica.

Adeliepinguïns op Signy Island. Op veel rotsen ligt een bruinige laag poep.
Adeliepinguïns op Signy Island. Op veel rotsen ligt een bruinige laag poep. Foto Stef Bokhorst

Het zijn beruchte viezeriken, de pinguïns en zeeolifanten van Antarctica. Hun kolonies op het land zijn glibberig van de uitwerpselen en de stank is in de wijde omtrek te ruiken. Die viezigheid, zo schrijven Nederlandse en Britse onderzoekers deze week in Current Biology, ondersteunt het hele voedselweb op het land. De pinguïns en de zeeolifanten bemesten het land met voedingsstoffen uit de zee. En die invloed strekt zich uit tot ver buiten de kolonies, omdat gasvormige stoffen uit de poep ontsnappen, verwaaien en verderop neerslaan.

„Dat de poep van zeedieren de vegetatie op het land verrijkt, was hier en daar wel eens gemeten”, vertelt hoofdonderzoeker Stef Bokhorst van de Vrije Universiteit in Amsterdam, „maar niemand had ooit op Antarctica gekeken naar de gevolgen daarvan voor het hele voedselweb.”

Mijten en springstaarten

Het voedselweb op het land, welteverstaan – en daarvoor moet je op Antarctica op je knieën. Tussen de mossen en korstmossen leven eencellige organismen, bacteriën en schimmels. Met zijn allen voeden die allerlei mijten, springstaarten, beerdiertjes en rondwormen, waarvan sommige soorten ook elkaar eten, of dood materiaal opruimen. Daarmee houdt het landvoedselweb op: het grootste landroofdier op Antarctica is een roofmijt van 3 tot 4 millimeter groot.

Het grootste landroofdier is een roofmijt van 3 tot 4 millimeter groot

Bokhorst en zijn collega’s onderzochten drie plekken van noord naar zuid langs het Antarctisch Schiereiland, onder meer rond de Britse onderzoeksbasis Rothera, waar Nederland een lab runt. Bokhorst doet daar al veldwerk sinds 2003. „Antarctica wordt vaak gezien als het koude, droge continent”, vertelt hij, „waar temperatuur en neerslag bepalen wat er op het land kan leven. Ik ontdekte in eerder onderzoek dat die temperatuur helemaal niet zo beperkend is. Zelfs als het overdag vriest, dan kan de bodem op bepaalde plekken, door het invangen van zonnestraling, wel 20 tot 25 graden boven nul zijn. In dat gunstige microklimaat groeien al die mossen, korstmossen en kleine beestjes.”

Zij gaan het niet beter doen als de temperatuur een paar graden stijgt, zo lieten de proeven van Bokhorst zien. „Ik vroeg me af: is er dan een andere factor die de groei beperkt, zoals voedingsstoffen?”, zegt hij. „Op Antarctica zijn de zeedieren de belangrijkste bron van voedingsstoffen op het land. Produceren zij dan zoveel dat het echt een verschil maakt voor het functioneren van dat ecosysteem?”

Kriebelbeestjes

Jazeker, zo wees het onderzoek uit. Niet alleen de mossen en korstmossen tieren welig rondom de kolonies, maar ook de kriebelbeestjes. Zowel de aantallen diertjes als de aantallen soorten lagen daar twee tot acht keer hoger dan elders. Dat effect zagen de onderzoekers tot zo’n 1.500 meter buiten de kolonies. Hoe groter de kolonies, hoe sterker het effect was en hoe verder het reikte. „Als je onze gegevens doortrekt naar de grootste Antarctische kolonies, dan reikt die bemesting mogelijk tot wel 17 kilometer verderop”, stelt Bokhorst. „Door bacteriële werking en verdamping komt er namelijk ammoniak uit de poep vrij, en die waait landinwaarts.”

Nu kunnen de onderzoekers voorspellen waar de biodiversiteit op Antarctica het rijkst is, op basis van de locatie en de grootte van zeedierenkolonies. Die zijn te vinden op satellietfoto’s. „Stel dat je ergens maatregelen neemt om de pinguïns te beschermen, bijvoorbeeld door visserij te beperken, dan kun je dus precies uitrekenen welke invloed dat heeft op het landecosysteem”, concludeert Bokhorst. „Daarnaast zijn we net een nieuwe studie gestart naar invasieve exoten: planten en beestjes van elders die met mensen meereizen naar Antarctica. Mensen bezoeken juist de kolonies. Voor exoten is het relatief moeilijk om op Antarctica te overleven, maar het zou me niet verbazen als die pinguïnpoep dat makkelijker maakt.”