‘Poeoeoeoepiebroek!’

Ewoud Sanders

Onlangs stuitte ik op een mij onbekend woord: poepiebroek. De Dikke Van Dale kent het evenmin, maar de Grote Koenen vermeldde het in 1986 bij de tweede betekenis van poepbroek: „Bangerd, kakkebroek, meestal poepiebroek.”

Bij mijn weten is poepiebroek inmiddels in onbruik geraakt. Ik heb dat nagevraagd in een enquête op Twitter. Uitslag: 95 procent van de ruim 650 respondenten kende het woord niet, de rest wel. Het is dus duidelijk op z’n retour, wellicht doordat er zoveel concurrenten zijn uit hetzelfde domein. Denk onder andere aan bange poeperd, schijtebroek, schijterd, schijtlijster en schijtluis.

Ik kwam het woord poepiebroek tegen bij een onderzoek naar Joodse straathandelaren. Van het eind van de achttiende eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog worden kinderen in tientallen jeugdverhalen gewaarschuwd om Joodse straathandelaren niet zo te treiteren. Hieruit valt op te maken dat dit juist op grote schaal gebeurde, vooral door straatjongens. Het schrijnendste voorbeeld dat ik ken betreft de Rotterdamse straathandelaar Philip Knap (1825-1895).

Knap trok met zijn handkar door de straten van Rotterdam. Hij verkocht komkommers, sinaasappelen en citroenen. Poepiebroek was zijn bijnaam. Die werd hem door de jeugd nagejouwd, repeterend en langgerekt: ‘Poeoeoeoepiebroek! Poeoeoeoepiebroek!’

Omdat Knap aan het eind van de negentiende eeuw een bekende Rotterdamse straatfiguur was, verschenen er na zijn overlijden diverse artikelen over hem. Het tijdschrift Wereldkroniekplaatste een tekening waarop Knap is afgebeeld. In de toelichting staat: „Het is de bij een ieder en vooral bij de jeugd welbekende straatnegotiant ‘Poepiebroek’. Haveloos gekleed, door ouderdom krom gebogen, zag de man overal waar hij zich met zijn wagentje met sinaasappelen of citroenen vertoonde, steeds gevolgd door een troep jongens. Minder verkwikkelijke straattooneelen bleven dan, tot vermaak ook van de grooten, niet uit; de jongens plaagden den ouden man graag en trokken hem aan de panden van zijn jas, en ‘Poepiebroek’ kon dan zoo vermakelijk schelden en tieren!”

Gewoonlijk maakte de politie een eind aan dit ‘vertier’, maar gebeurde dat niet dan begon Knap om zich heen te slaan of smeet hij sinaasappelen en citroenen naar de kwelgeesten, wat voor veel hilariteit zorgde.

Ook het Rotterdamsch Nieuwsblad besteedde in 1895 aandacht aan Knaps overlijden. In een necrologie staat onder meer hoe hij werd uitgescholden, bekogeld en mishandeld. „Ze trokken en wierpen en stompten hem, den ouden man […] die naar hen spoog uit tandeloozen mond en die vervloekte, luide en hevig. Ten laatste kon hij niet meer en snikkend zakte hij neer op zijn wagen, dan lachten alle omstanders en de jongens schreeuwden nog luider. Soms wierp dan nog een ‘volwassene’ den wagen om, dat ‘poepiebroek’ op den grond viel, tusschen zijn komkommers. Ach, ach, wat hadden ze dan een plezier. Nu is ’t uit, nu zullen ze een nieuw offer voor hun laffe plaagzucht moeten zoeken, want ‘poepiebroek’ is dood.”

Philip Knap bleef lang voortleven in de herinnering. In 1934 schreef Ch.A. Cocheret een stukje over hem in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, een voorloper van de NRC. Uit fatsoen durfde hij Knaps bijnaam nauwelijks te gebruiken. „Ik durf het wel te zeggen, maar niet te schrijven. Laat ik het dan maar heel zachtjes even achter mijn hand fluisteren […] Poepiebroek.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders