‘Op dit moment is het te veel ieder ziekenhuis voor zich’

Samenwerkende Algemene Ziekenhuizen Maak van acute zorg een nutsvoorziening, zegt zorgbestuurder Suzanne Kruizinga. „Zo redden we het niet.”

Suzanne Kruizinga: „Het zorgklimaat verandert. Wie zich niet kan aanpassen, is verleden tijd.”
Suzanne Kruizinga: „Het zorgklimaat verandert. Wie zich niet kan aanpassen, is verleden tijd.” Foto Sake Elzinga

„Een hoop paniekvoetbal”, zo omschrijft Suzanne Kruizinga het overheidsbeleid op het gebied van acute zorg. Kruizinga is bestuurslid van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. Daarnaast is ze verantwoordelijk voor acute zorg bij de koepelorganisatie Samenwerkende Algemene Ziekenhuizen.

Vorige maand kondigde minister Bruno Bruins (Volksgezondheid, VVD) een kapitaalinjectie van jaarlijks 2,5 miljoen euro aan voor het Maasziekenhuis in Boxmeer. Zonder deze redding dreigde de sluiting van de spoedeisende hulp en de acute verloskunde. Andere ziekenhuizen kregen geen miljoenen uitgekeerd en sloten afgelopen tijd wel hun afdelingen spoedeisende hulp. In 2003 waren er nog 107 in Nederland, tien jaar later 94. Nu zijn er 83 locaties dag en nacht open, waarvan bij drie een sluiting is aangekondigd.

Kruizinga, die als bestuurslid in Assen ook een spoedeisende hulp en intensive care openhoudt, vindt dat acute zorg niet aan individuele instellingen moet worden overgelaten. Ziekenhuizen moeten volgens haar juist minder concurreren.

U wilt een ‘ruggengraat’ van acute zorg. Waarom?

„Er moet meer sturing komen. De zorg is jaren heel vrij gelaten onder het mom van marktwerking. In theorie is het een mooie filosofie: zorg laten regelen door marktpartijen. En bij mooi weer werkt het. Maar zodra ziekenhuizen financieel onder druk staan, kijken ze naar binnen: waar loopt eigenlijk het meeste geld uit? Dat is de acute zorg. Hooggespecialiseerd personeel dat dag en nacht klaar moet staan. Hoogwaardige techniek, steeds scherpere richtlijnen, relatief veel lege bedden. Die enorme brandweersterkte staat niet in verhouding tot de opbrengsten.

„We moeten leren om op een andere manier naar zorg te kijken. En dat geldt met name ook voor de acute zorg. Anders gaan we het niet redden om overal alles open te houden.

„We zien al vaak dat operatiekamers sluiten, het aantal intensive-carebedden omlaag wordt gebracht en de spoedeisende hulpen tijdelijke opnamestops inlassen.”

Wat moet er dan gebeuren?

„Ziekenhuisbestuurders kijken naar hun eigen organisatie. Dat is logisch. Ik voel ook dagelijks de verantwoordelijkheid van mensen die hun hypotheek betalen omdat ze hier in het Wilhelmina Ziekenhuis een baan hebben. Maar er moeten mensen over de grenzen van hun organisatie heen gaan kijken en het regionale belang gaan dienen. Zorgen dat acute zorg te allen tijde geborgd is, dichtbij genoeg, en dat er voldoende kwaliteit is. Dat mag je bijna niet verwachten van individuele bestuurders. Daar moet meer sturing op komen vanuit de overheid.”

U zou liever zien dat de acute zorg wordt geregeld als nutsvoorziening, zoals elektriciteit?

„Ja, en dan bedoel ik niet alleen de sirenes: de auto-ongelukken en hartaanvallen. Dan bedoel ik ook iemand die gewoon niet lekker wordt en een huisarts wil zien buiten kantoortijden.”

Hoe moet dat worden geregeld?

„Ik pleit sterk voor het loskoppelen van de financiering voor acute zorg. Nu worden er geen aparte afspraken gemaakt voor de spoedeisende hulp en intensive care. Het budget zit in één grote aannemerssom van de zorgverzekeraar. Acute zorg zou moeten worden uitgegeven met een regiobudget. Zo worden zorgaanbieders gestimuleerd om samen te werken.”

Het liefst ziet u de acute zorg geregeld vanaf een coördinatiecentrum. Hoe ziet dat eruit?

„Dat is echt een fysieke plek waar de ambulancediensten, het ziekenhuis, de verzorgingstehuizen, de acute wijkverpleging en acute GGZ samen één infrastructuur voor acute zorg regelen. Waar ze niet alleen zicht hebben op de ambulanceauto’s die beschikbaar zijn, maar ook op de wijkverpleging”.

„Als er bijvoorbeeld een oudere dame gevallen is, en een wijkverpleegkundige blijkt een straat verderop aan het werk te zijn, dan kan die worden gebeld om bij de vrouw langs te gaan.”

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) moet die samenwerking niet in de weg staan, vindt u. U noemde de mededingingsautoriteit eerder een ‘dinosaurus’. Wat bedoelt u daarmee?

„Ik ben dol op dinosauriërs. Maar die zijn uitgestorven omdat het klimaat veranderde. En het zorgklimaat verandert. Wie zich niet kan aanpassen aan een veranderend zorgklimaat, is verleden tijd.

„Een tijd geleden is bijvoorbeeld een fusie tussen de zorggroep Rivas in Gorinchem en het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht verboden door de ACM. Ik vind dat de toezichthouder in de spiegel moet kijken, net zoals ziekenhuisbestuurders dat moeten, om te zien hoe ze een bijdrage kunnen leveren aan het nieuwe zorglandschap.”

De ACM probeert te borgen dat er voldoende keus overblijft voor patiënten en verzekerden om zelf hun zorgaanbieders te kiezen.

„Als ik kijk naar mijn regio, Drenthe denk ik dan: waarom moeten patiënten kunnen kiezen? Als wij kunnen waarborgen dat we in Noord-Nederland alles kunnen aanbieden, van lichte zorg tot zwaar complex. Dat kán. Wat mij betreft gaat dan kwaliteit en behoud van zorg in het noorden voor.

„We hebben heel veel regels om te kijken of er genoeg wordt geconcurreerd. Maar ik zou eigenlijk liever eenzelfde soort instantie vanuit Volksgezondheid [het ministerie] zien die in de zorg juist samenwerking beloont. En zegt: kijk, deze regio heeft het nou goed geregeld.”

Hoe wil u samenwerken in uw eigen regio?

„Wat mij betreft moeten we de academische hoogcomplexe zorg uitvoeren in het academisch ziekenhuis in Groningen en het topklinische Martini Ziekenhuis. Algemene ziekenhuizen kunnen de basiszorg doen. En niet te veel dubbelen: bijvoorbeeld niet in elk ziekenhuis acute geboortezorg aanbieden. Waar het om gaat is dat er grotere patiëntengroepen ontstaan zodat ziekenhuizen beter worden in bepaalde ingrepen en de medisch specialisten bedreven blijven.”

„Nu is het te veel ieder ziekenhuis voor zich. Neem de ontwikkeling van e-health. Of het analyseren van big data voor betere voorspelling van het ziekteverloop. Dat zijn gigantische investeringen. Dat kunnen we niet allemaal afzonderlijk als eigen organisatie opbrengen.”