Het was een politieke onmogelijkheid: kiesrecht voor vrouwen

100 jaar vrouwenkiesrecht Op 9 mei 1919 stemde de Tweede Kamer in met de invoering van het algemeen kiesrecht.

Protestbijeenkomst van de Vrouwenkiesvereniging, Nederland 1910.
Protestbijeenkomst van de Vrouwenkiesvereniging, Nederland 1910. Foto Collectie Spaarnestad

En toen was het er: het algemeen vrouwenkiesrecht. Gezien de turbulente politieke voorgeschiedenis ging de historische gebeurtenis, deze donderdag honderd jaar geleden, min of meer geruisloos. „Wij moeten kort zijn, ook op historische ogenblikken”, zei het liberale Tweede Kamerlid Henri Marchant, die het initiatiefwetsvoorstel had ingediend. Buiten op het Binnenhof kreeg hij bloemen van de vrouwen die decennia voor hun kiesrecht hadden gestreden.

Het onmogelijke van nog maar enkele jaren daarvoor was in 1919 een vanzelfsprekendheid geworden. Onder druk van de Eerste Wereldoorlog en revolutionaire woelingen elders in Europa was het uiteindelijk snel gegaan. Dat vrouwen het kiesrecht toekwam, was voor een grote meerderheid in de Tweede Kamer zó evident dat veel Kamerleden de finale stemming niet eens afwachtten en voortijdig vertrokken. Een kwart van hen stemde niet mee.

Drie jaar eerder was de gedachte – die vrij breed leefde – dat vrouwen niet aan politiek toe waren. Pieter Cort van der Linden, aanvoerder van het liberale minderheidskabinet, wees er in de Tweede Kamer op dat ook voor mannen het kiesrecht „stap voor stap” was uitgebreid. „Langzamerhand hebben de kiezers een opvoeding ondergaan”, zei Cort van der Linden. Moesten dan nu „plotseling alle vrouwen tot het kiesrecht worden geroepen?”, vroeg hij zich af. „Ook zij die er niet toe zijn voorbereid, ook zij die dat kiesrecht niet begeren, ook zij die zelfs morele tegenzin hebben om het uit te oefenen?”

Politiek was „de kunst der mogelijkheden”, aldus Cort van der Linden. Invoering van het actief vrouwenkiesrecht was volgens hem „een politieke onmogelijkheid”.

Lees ook: Deze week vieren we honderd jaar vrouwenkiesrecht. NRC wil graag weten: hoe vindt u dat de vrouwenemancipatie ervoor staat in 2019?

Grendel van de deur

Toch was dezelfde Cort van der Linden verantwoordelijk geweest voor de passage in de Troonrede van 1913 waarin werd aangekondigd dat het wegnemen van de grondwettelijke belemmering tegen het toekennen van het kiesrecht aan vrouwen „onverwijld” zou worden voorbereid.

Hiermee werd als het ware de grendel van de deur gehaald. Een stap met verregaande betekenis. Zoals het liberale Tweede Kamerlid Pieter Rink tijdens het debat in 1919 opmerkte: „Een ernstig mens schuift niet de grendel van de deur waarachter iemand te wachten staat, wanneer hij niet van plan is om de deur te openen.”

Vanzelf was het allemaal niet gegaan. Het Algemeen Handelsblad zou in 1919 weliswaar spreken van „de laatste liberale zege”, maar in 1883 vond de krant nog dat „de vrouw overduidelijk niet in het volle bezit van burgerlijke en burgerschapsrechten” was. De krant schreef dit naar aanleiding van de poging van feministe Aletta Jacobs om – in een tot aan de Hoge Raad gevoerde procedure – kiesrecht voor zichzelf op te eisen. Want, zo stelde ze, nergens stond in de Grondwet dat vrouwen het kiesrecht niet hadden.

In de kieswet hoefde alleen maar het woord ‘manlijke’ te vervallen

De hoogste rechter sprak uit dat Jacobs zich weliswaar had beroepen op „de letter van de wet” maar „volgens de geest van onze staatsinstellingen is aan de vrouw geen kies- of stemrecht verleend”. Het Algemeen Handelsblad sprak de rechter na: „Wij gelooven ook niet in den geest der vrouwen”, en het was volgens de krant „niet noodig” dat de vrouw zich met de politiek bemoeide.

Na de eeuwwisseling kwam er – langzaam – meer waardering voor de strijd van de vrouwen. Er werd in kranten verslag gedaan van bijeenkomsten, van de petities die de vrouwen indienden.

Met interesse werd ook gevolgd wat vrouwenkiesrecht in andere landen betekende. Het Algemeen Handelsblad noteerde in 1900 bijvoorbeeld dat het „opmerkelijk is dat in de Amerikaanse staten waar vrouwen-kiesrecht bestaat (Colorado, Idaho, Wyoming en Utah) en waar de vrouwen druk aan de stemming deelnamen, zij meestal voor Bryan stemden”, de Democratische uitdager van de Republikeinse president McKinley.

Geen gewelddadige strijd

De strijd voor vrouwenkiesrecht was een internationale. Aletta Jacobs bijvoorbeeld ging veelvuldig op bezoek bij feministes in het buitenland en die kwamen ook naar Nederland. In Engeland vonden de vrouwen dat de tijd van beleefd vragen voorbij was. ‘Deeds, not words’, was de slogan van onder anderen Emmeline Pankhurst en haar dochters Sylvia en Christabel.

Ze trokken politici letterlijk aan hun jasjes, en toen dat niet werkte, werden de acties heftiger. Een kunstwerk in de National Gallery werd vernield, brandbommen werden in brievenbussen achtergelaten, sommige suffragettes gingen in hongerstaking. Emily Wilding Davison kreeg acht keer celstraf wegens demonstreren en gooide zich uiteindelijk voor het paard van de koning. Ze stierf aan de verwondingen die ze daarbij opliep.

Beelden van Emily Davison die zich voor het paard van de koning wierp.

Zo gewelddadig zou het in Nederland niet worden, al vonden in 1913 sommigen het houden van een wake op het Binnenhof of een wandeling naar het huis van premier Heemskerk, de voorganger van Cort van der Linden, al te ver gaan. Daar demonstreerden ze tegen de aangekondigde grondwetswijziging, waarin met geen woord werd gerept over toekenning van het algemeen kiesrecht aan vrouwen. „Het is een goed begin geweest”, schreef Aletta Jacobs in 1924 in haar boek Herinneringen.

Feministe Aletta Jacobs (midden, met bloemen) op 3 juli 1922. Foto Hollandse Hoogte

De bijeenkomsten van de voorvechters werden na 1913 steeds groter. Het hoogtepunt was een demonstratie op 18 juni 1916 op het terrein van de Amsterdamse IJsbaan, die 18.000 mensen op de been bracht. Volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant kwamen ze uit het hele land. „Doeken, borden en schilden met opschriften stonden in het gras geplant of werden gedragen. Op een lazen wij: ‘Geen sekseverschil bij de stembus’.”

Dat uitbreiding van het kiesrecht van een selecte groep mannen naar álle mannen dat jaar bespreekbaar werd, kwam door een compromis dat de grote politieke stromingen met elkaar sloten. De confessionelen kregen het recht met belastinggeld gefinancierde christelijke scholen op te richten. In ruil zouden zij zich niet langer verzetten tegen het door socialisten en liberalen nagestreefde algemeen kiesrecht voor mannen. Bij de invoering daarvan in 1917 kregen vrouwen wel passief kiesrecht. Ze mochten worden verkozen, maar niet kiezen.

Lees ook: Dit zijn 100 pionierende Nederlandse vrouwen

Dat recht volgde twee jaar later toen Marchant zijn initiatiefwet indiende. Zijn voorstel had de charme van de eenvoud: in de kieswet hoefde alleen maar het woord „manlijke” te vervallen. Het ging dus om één woord. Het was voor de Tweede Kamer geen beletsel om er drie lange dagen over te debatteren.

Eigenlijk hadden de tegenstanders hun verlies al genomen toen zij op 7 mei 1919 begonnen aan het debat. „Het lot van dit voorstel is feitelijk reeds beslist”, zei het antirevolutionaire Kamerlid Jacob de Wilde aan het begin van zijn betoog. Het weerhield hem er niet van zijn kritiek te uiten. Nutteloos, oordeelde het liberale Kamerlid Pieter Rink. De oude grieven en bezwaren zijn als „het wegstervend gerommel na een voorbij gegaan onweer.”

Een betoging in 1914 in Amsterdam voor de gelijkstelling van mannen en vrouwen. Foto Hollandse Hoogte

Tweede Kamerlid Andries Staalman van de Christen Democratische Partij wist ook dat de strijd verloren was maar gaf zich niet bij voorbaat gewonnen. „Dan moet ik maar als „reactionair” worden bestempeld en weggestopt „in het muffe hoekje waar het conservatisme huist”.

Zogenaamde openbare mening

Met zijn „overtuiging” weigerde hij te zwichten voor „de zogenaamde openbare mening”. Die overtuiging was het bijbelse principe dat „de man, de vader als hoofd van het gezin, de natuurlijke beschermer en verdediger is van de rechten van zijn vrouw en minderjarige kinderen”. „Een door God ingesteld instituut dreigt te worden ontwricht”, waarschuwde Staalman. Zijn collega’s in de Kamer die voorstander waren van het vrouwenkiesrecht? „Verwijfde mannen”, waren het.

Socialiste Suze Groeneweg, het enige vrouwelijke Tweede Kamerlid, stelde dat het kiesrecht juist goed was voor de ontplooiing van vrouwen. „In mijn ogen zal zij een betere moeder worden. Ik geloof dat vele vrouwen juist door het kiesrecht en het deelnemen aan de politiek zich meer met de geestelijke vorming van hun kinderen kunnen gaan bemoeien”, zei Groeneweg.

Beelden van stemmende vrouwen in Nederland.

Aan het slot van het debat probeerde indiener van de wet Marchant nog één keer de laatste tegenstanders te overtuigen. Het ging niet om het gelijkstellen van man en vrouw, zei hij. Integendeel, man en vrouw waren niet gelijk. Maar juist daarom was een volksvertegenwoordiging niet evenredig samengesteld wanneer deze uitsluitend berustte op het kiesrecht van de man.

Bij de stemming waren tien Kamerleden tegen en 64 voor. Twee maanden later, bij de stemming in de 50 leden tellende Eerste Kamer, stemden vijf afgevaardigden tegen.

De vrouwen hadden hun recht: in 1922 gingen zij voor het eerst naar de stembus. Er werden zeven vrouwen in de Tweede Kamer gekozen. Het zou nog tot 1956 duren voordat Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister werd. Het wachten is nog op de eerste vrouwelijke premier.