Opinie

De Raad van State trekt aan de noodrem, de PVV blijft doof

Islamverbod

Als politici zeggen wat er in hun programma staat en instituten daarna doen waar ze voor zijn, is dat geen nieuws. Het voorstel van PVV-leider Geert Wilders vorig najaar om alle islamitische scholen, de hele Koran, alle moskeeën en iedere boerka in Nederland te verbieden, baarde dan ook weinig opzien. Het ging hooguit nóg verder dan wat de PVV meestal voorstelt om moslims te discrimineren.

Hetzelfde lot dreigt het advies van de Raad van State te treffen, dat deze week uitkwam. Daarin werd de PVV aangeraden het wetsvoorstel in te trekken, wegens ernstige bezwaren. Het is in strijd met „wezenlijke uitgangspunten van de democratische rechtsstaat”. Het verdraagt zich niet „met diverse in de Grondwet en verdragen gewaarborgde fundamentele rechten”. De Raad van State trekt dus aan de noodrem.

Op zich is dit advies niet verrassend, net zomin als het wetsvoorstel zelf. En ook niet de politieke consequentie die wordt getrokken. Het wordt namelijk genegeerd, een lot dat adviezen van de Raad van State vaker treft. Maar zelden op zo’n botte wijze. De indieners noemen de adviseurs „bange mensen” die hun „politiek correcte reflexen” de vrije loop lieten. Ze zullen het advies „met overtuiging” negeren en de behandeling er van met „lef en enthousiasme” voortzetten. Hier heft de PVV dus de middelvinger. Verruwing is overal, nu ook in het wetgevend proces.

Luister: De podcast Haagse Zaken over de Raad van State

Juist na een week waarin de bevrijding is gevierd is het goed hierbij stil te staan. Waar liggen de grenzen in de rechtsstaat echt, hoe staat het met onze vrijheden, nu in 2019? Deze week begon de ramadan, een maand van bezinning op en bevestiging in het geloof voor moslims. Een religie die door krap 5 procent van de Nederlanders wordt aangehangen. Een betekenisvolle minderheid, die onder een vergrootglas ligt als gevolg van de strijd tegen terreur, die veelal islamitisch is geïnspireerd. Is deze rechtsstaat er ook voor hen?

De Raad trapt in zijn advies niet in de valkuil die in de memorie van toelichting is gegraven. Een theologische discussie over de islam zélf, waarvan de PVV meent dat die „inherent” antidemocratisch en antirechtsstatelijk zou zijn. De Raad legt uit dat het „weg-definiëren” van een religie naar een totalitaire ideologie, zoals het voorstel beoogt, niet past bij de neutraliteit en terughoudendheid die de overheid behoort uit te stralen. Dat de vrijheid van godsdienst in Nederland van 1564 dateert en dat dit wetsvoorstel een hele bevolkingsgroep zou discrimineren op basis van geloof. Dat zou niet alleen deze groep treffen, maar de hele samenleving omdat dan duidelijk wordt dat vrijheidsrechten naar willekeur kunnen worden beperkt of afgeschaft. Dat mag niet van de Grondwet, niet van het EVRM, niet van het EU-handvest en niet van het IVBPR, om een aantal verdragen te noemen. Wat de indieners doen, is de democratische rechtsstaat afbreken, terwijl ze die willen beschermen.

Intussen is de rechtsstaat wel degelijk weerbaar tegen excessen die van vrijheidsrechten het gevolg kunnen zijn. Beperkingen moeten dan bij wet zijn geregeld en in redelijke verhouding staan tot het doel dat ze beogen te bereiken. De uitingsvrijheid is niet onbeperkt, partijen mogen verboden worden, gebiedsverboden opgelegd, het wetboek staat vol met concreet strafbaar gedrag. Het generiek diskwalificeren van ‘de’ islam of ‘de’ moslim zonder concreet handelen als uitgangspunt komt neer op het „in de meest fundamentele zin ondermijnen van de democratische rechtsstaat”. In al zijn eenvoud is het een van de belangrijkste adviezen die de Raad van State gaf.