Opinie

    • Paul Scheffer

Bij herdenken van vrijheid hoort geen conformisme

8 mei 1945 is de dag van de Duitse capitulatie. Achteraf kan er geen twijfel over bestaan dat de ondergang van het Derde Rijk ook voor de Duitsers een zegen is geweest, maar de grote meerderheid van de bevolking geloofde tot het allerlaatste moment in Hitler. De soldaten vochten door tot in de ruïnes van Berlijn.

Veertig jaar later hield de Duitse president Richard von Weizsäcker een rede waarin hij deze dag een heel andere betekenis gaf: „De achtste mei was een dag van bevrijding. Die dag heeft ons allen bevrijd van het systeem van de nationaal-socialistische tirannie, een systeem dat mensen veracht. Wij hebben waarlijk geen reden om op deze dag aan overwinningsfeesten deel te nemen. Maar wij hebben er alle reden toe de achtste mei 1945 te zien als het eind van een dwaalweg in de Duitse geschiedenis.”

Het duurde nog tien jaar – 8 mei 1995 – toen deze dag van de Duitse capitulatie ook in Nederland een eigen lading kreeg. In de Ridderzaal was een symposium georganiseerd door het Nationaal Comité 4 en 5 mei, waarbij voor het eerst in de context van een herdenking ook Duitse sprekers waren uitgenodigd. Dat was een compromis, want er waren vijftig jaar na het einde van de oorlog voor- en tegenstanders van een uitnodiging aan Duitsers.

Of het een subtiele geste was, kan worden betwijfeld: het wringt een beetje om samen een capitulatie te herdenken. Maar de toespraak van Von Weizsäcker – die op initiatief van prins Claus in het Nederlands werd uitgegeven – speelde zeker een rol in deze keuze. Het was overigens een mooie bijeenkomst, met onder meer sprekers uit Frankrijk, Duitsland en Polen. En belangrijker, de sprekers gingen kritisch zelfonderzoek niet uit de weg.

Vooral de toespraak van Friedrich Schorlemmer, een predikant die een rol had gespeeld in de oppositie in de DDR, is me bijgebleven: „Ik ben Duitser, een volle erfgenaam van mijn land. Ik weet en accepteer dat ik mij niet door ‘mijn late geboorte’ kan onttrekken aan de geschiedenis, zelfs als het pijn doet verantwoording te moeten dragen voor wat ik zelf niet beleefd heb en waaraan ik ook niet mee ‘moest’ doen.”

Ik herinner me ook de geweldige toespraak van de Poolse schrijver Andrzej Szczypiorski: „Ik houd van Polen, mijn land, maar toch kan ik de Poolse illusies niet verdragen. Bijna alle Polen zijn van mening dat zij de taken waar ze voor stonden in de oorlog heldhaftig hebben volbracht. Ik vraag mij echter iedere dag af: als jullie zo heldhaftig waren, waarom hebben de Duitsers dan drie miljoen van onze Joodse landgenoten onder Pools zwijgen en onder Poolse onverschilligheid vermoord?”

Van dat symposium werd een boek gemaakt: Ideaal en identiteit: een nieuwe zoektocht na 50 jaar vrijheid. Het comité vroeg mij een slothoofdstuk te schrijven. Ik ging aan het werk, geïnspireerd door de bijdragen van Schorlemmer en Szczypiorksi, maar wat ik te zeggen had viel niet in goede aarde: de tekst werd uit het boek geweerd.

De kern van mijn bijdrage was dat we de periode die loopt van 1933 tot 1949 – van de opkomst van Hitler tot aan de soevereiniteitsoverdracht in Indonesië – als een geheel moeten leren zien. De ambivalenties die de periodes van de neutraliteit (1933-’40), de bezetting (1940-’45) en de koloniale oorlog (1945-’49) karakteriseren, kunnen niet los van elkaar worden begrepen.

Daarbij ging het om kwesties die allang waren blootgelegd door historisch onderzoek, maar die nog steeds moeilijk doordrongen tot de collectieve herinnering. Het betrof drie pijnlijke vragen: hoe kijken we nu naar de vuile compromissen van de neutraliteitspolitiek, naar de medeplichtigheid tijdens de Duitse bezetting en naar onze oorlogsmisdaden in het voormalige Nederlands-Indië? Het was me duidelijk dat begrijpen en oordelen achteraf altijd vragen om gevoel voor de toenmalige omstandigheden.

Ik wilde vooral laten zien dat Nederland niet alleen slachtoffer was geweest, maar ook toeschouwer en dader. Daarbij speelde het boek Perpetrators, Victims, Bystanders van de historicus Raul Hilberg door mijn hoofd. Vooral die benadering viel slecht in het comité, begreep ik later via omwegen. Het hoofdstuk dat voor het boek was bedoeld, is wel in Vrij Nederland gepubliceerd (13 januari 1996).

Von Weizsäckers woorden zijn destijds verwelkomd als een belangrijk moment. Zijn veelgeprezen rede had kunnen worden beantwoord met zelfonderzoek tijdens de herdenkingen. Dat bleek tien jaar later nog steeds moeilijk te zijn. Sindsdien is veel gezegd en geschreven – toch betwijfel ik of we nu wel de morele halfhartigheden van die lange oorlogsjaren tot ons laten doordringen. Dat is nodig, want het herdenken van vrijheid verdraagt geen conformisme.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.