Anna Vondelstraat

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.

„Eenentwintig jaar geleden”, schreef Martin Bril in 2004, „trokken mijn kompaan Dirk van Weelden en ik bij nacht en ontij de binnenstad van Groningen in. Wij droegen zware, lederen jassen en waren gewapend met dikke viltstiften waarmee we op blinde muren, vensterbanken, toiletten en blote meisjesbillen de volgende leuze noteerden: ‘Sleutelaar worden’.”

Drie jaar later zaten Bril en Van Weelden bij Scheltema van hun laatste geld samen één uitsmijter te eten, toen ze Sleutelaar in het telefoonboek vonden. „Sleutelaar? In Amsterdam?” Wegens geen geld voor de tram begaven ze zich te voet naar de Anna Vondelstraat, een zijstraat van de Overtoom, waar hij toen woonde, Hans Sleutelaar, na G. Brands waarschijnlijk de zwijgzaamste dichter uit de naoorlogse letteren. „Talloos zijn de dichters zonder oeuvre”, zoals Sleutelaar het zelf formuleerde. „De weinige gedichten die ik heb geschreven”, voegde hij er aan toe, „zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.”

De Anna Vondelstraat is een echte Sleutelaarstraat, strak en netjes, en geheimzinnig tegelijk. De ligging aan het Vondelpark zal er mee te maken hebben, net als het ondoorgrondelijke café André Lacroix om de hoek, dat meestal dicht was, maar waar je Sleutelaar wel treffen kon.

Sleutelaar is van Rotterdam, maar vanaf 1960, toen hij voor de Haagse Post ging werken, was Amsterdam van Sleutelaar. Zijn kleine oeuvre kent een onbetwist hoogtepunt, het monochiston ‘Wollt ihr die totale Poesie?’ Wanneer de regel hem inviel, wil hem niet te binnenschieten, maar het is het openingsgedicht van de tweede aflevering van De Nieuwe Stijl uit voorjaar 1966. De redactie, ook bekend als de Bende van Vier (Armando, Sleutelaar, Vaandrager, Verhagen) besloot daartoe in een bovenzaaltje van hotel De Pool aan het Damrak. In dat hotel speelde, net als in De Gerstekorrel in de Damstraat – heel uitzonderlijk voor Amsterdam – een damesorkest. In smoking. Bracht Armando zijn viool mee naar de redactievergadering?

‘Wollt ihr die totale Poesie?’ bracht een schok teweeg, herinner ik mij. Iedereen had het erover en vaak werd er fluisterend over gesproken. Dat is meer dan vijftig jaar geleden en het gedicht („Het is het leven zelf”, zei Sleutelaar, en: „Er is een zwijgende dichter aan het woord”) is er nog steeds.

Net als Sleutelaar. ‘Willemsbrug mei ’40’ is uit Vermiste stad – Rotterdamse Kwatrijnen: ‘Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen./ Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst./ -De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken./ Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.