‘Coureur’, met Niels Willaerts als de jonge profwielrenner Felix.

Kenneth Mercken: ‘Doping was iets heel banaals in de wielrennerij’

Interview Kenneth Mercken werd in 2001 geen professioneel wielrenner omdat de epo niet aansloeg. Over dat jaar gaat zijn knappe filmdebuut ‘Coureur’.

Ooit dacht Kenneth Mercken een profrenner te worden. Als Belgisch kampioen van de ‘elite zonder contract’ werd hij in 2000 opgenomen in een semiprofessionele wielerploeg in Italië. Een jaar later stopte hij abrupt. Zijn lichaam reageerde niet op epo. En zonder epo werd je geen prof.

Vorig jaar maakte Mercken op 41-jarige leeftijd zijn speelfilmdebuut met het semi-autobiografische Coureur, een weerslag van dat Italiaanse jaar. Via zijn alter ego Felix maken we kennis met een meedogenloze, monastieke mannenwereld waar slikken en spuiten standaard is. En met een vader die zijn eigen gefnuikte wielerambitie verbeten op zijn zoon projecteert. ‘Male bonding’, dat is als pa in de keuken zwijgend een verse bloedzak aan Felix’ infuus hangt. Er is ook onderhuidse jaloezie: vader en zoon gaan op de vuist.

Was uw eigen vader niet pijnlijk getroffen door ‘Coureur’?

„Hij was bij de première in Gent en zei na afloop: ge hebt me nogal gespaard hè. Ik ben fout geweest. Best ontroerend eigenlijk. Maar ik was laatst heel kwaad op hem. Mijn neefje van twaalf, dat niet het talent heeft en ermee is gestopt, reed een koers. Hij was laatste of zo, en mijn vader ging me daar tekeer! Net als indertijd tegen mij. Ik dacht: heb je nou niks geleerd?”

U bent echt op de vuist gegaan?

„Ja. Het kwam ooit zelfs tot een familiegevecht: ik, mijn vader, mijn broer en mijn oom. We waren een dagje mountainbiken, werden dronken in een café – in wielerpak, onder de modder – en gingen los op het parkeerterrein.”

Toen ik het woord kanker hoorde, dacht ik: shit, ik ga te ver. Toen heb ik in de teamauto besloten: ik ga de filmschool doen

U begon als 17-jarige met cafeïne, las ik. Daarna ging het met doping van kwaad tot erger.

„Doping was iets heel banaals in de wielrennerij. Kwam er in het kantoor van mijn Italiaanse ploegleider ineens een flacon epo op tafel. Ken je dit? Ja, zei ik. Heb je het al geprobeerd? Nee, loog ik. Nou, stop in je zak zodat de anderen het niet zien. Ik loop naar boven, zit daar het halve team te spuiten terwijl ze over het weer praten. De jonge gasten kijken toe: volgend jaar mag ik ook!”

Waarom werkte epo niet bij u?

„Ik was een zogeheten non-responder, mijn bloedwaarden zakten in plaats van te stijgen. Mijn hormoonspiegel was te laag. Heel frustrerend. Gasten die ik met gemak eraf fietste, staken mij opeens voorbij. Dus mijn reactie was: meer epo. Ik kon niet verdragen dat de droom me ontglipte, net als mijn vader.”

Wat gaf de doorslag om toch te stoppen?

„Dat de teamarts me vertelde dat ik groeihormoon moest gebruiken, wilde de epo aanslaan. Geen klein kuurtje, mijn hele carrière lang. Ik zei; ça va. Maar dan moest ik wel beseffen dat mijn cellen dan uitzetten, en als daar een kankercel bijzit … Toen ik het woord kanker hoorde, dacht ik: shit, ik ga te ver. Toen heb ik in de teamauto besloten: ik ga de filmschool doen.

„Na twee jaar filmschool voelde ik mij niet volwassen genoeg, ik had mijn stem nog niet gevonden. Mijn prijzengeld was op, dus ik dacht: ik ga weer koersen. Toen kreeg ik alsnog een profcontract, in 2005. Maar ik wilde clean fietsen en dat bleek onmogelijk. Dus na een jaar pakte ik toch mijn filmstudie weer op.”

U werd semiprof vlak na het Festina-schandaal in de Tour de France. De jacht op doping was geopend. Toch neemt Felix in ‘Coureur’ volstrekt onbekommerd epo, bloedzakken, groeihormoon, cortisone, speed, coke …

„Met een beetje goed schema kon je toen doen wat je wilde, anders dan nu was er alleen rond de koers controle. Door alle schandalen zweeg je er wel over, en dat taboe werkte uitwassen in de hand. Niemand nam nog zijn verantwoordelijkheid. Artsen adviseerden: zo kán je het doen, maar wel op eigen houtje natuurlijk. Het was ieder voor zich. Liep iemand tegen de lamp dan was hij het zwarte schaap. De wielersport was nu clean toch?”

Is het medisch uitgekiende dopingprogramma van zevenvoudig Tour de France-winnaar Lance Armstrong niet gewoon beter?

„Ik denk dat wel ja. Epo, met mate, doet geen kwaad. Misschien moeten we dat toelaten in combinatie met zorgvuldige meting van bloedwaarden. We zouden er in elk geval open over moeten praten.”

Maar het halve wielerpeloton heeft inmiddels toch zijn zonden opgebiecht?

„Ja, maar met het idee dat doping daarmee verleden tijd is. Van jonge renners hoor ik heel andere verhalen. Groeihormoon, bloedtransfusies en bepaalde vormen van epo zijn lastig terug te vinden. Ik hoor nu ook over een middel dat cellen aanzet zelf meer epo te produceren. Puur natuur, niet aantoonbaar. Doping is historisch met de wielersport verweven.”

Is wielrennen een teamsport?

„Nee. Zeker jonge renners ervaren grote eenzaamheid. Je zit in een ploeg met kopmannen en knechten. Maar jezelf wegcijferen is een slecht idee, alleen wie wint krijgt namelijk een profcontract. Dus zijn de messen altijd geslepen. Toen ik Belgisch kampioen werd, zaten alle favorieten in mijn ploeg. Dat was een gespannen situatie in de kleedkamer. We lagen bij elkaar op de kamer, ging ik ’s nachts voor de koers uit bed om stiekem nog wat cortisone bij te spuiten. Om geen verdenking te wekken zei ik dan: ‘Nou Lamberts, die De Saeger zat wel heel lang op het toilet zeg.’”

Lees hier de recensie van ‘Coureur’

Was u goed in dirty tricks?

„Ik was nog veel te lief. Mijn vader wreef me altijd in dat je keihard moet zijn, ook met geld. Belde ik hem uit Italië: wij hebben gewonnen! Zei hij: ‘Wat wij? Wie is wij? Zijn gij wij?’ De wielersport corrumpeert, je verliest je idealen, je vrienden. En je kan nergens terecht met je verhaal. Dus zijn er nogal wat tragische zelfmoorden, ook door die cultuur van ‘niet zuigen’. Valt een wielrenner, dan moet hij in vijf seconden weer op de fiets zitten, de pijn verbijten, door. Op jammeren en klagen kijkt men neer.”

Nog ergens echt spijt van?

„In mijn ploeg zat een 18-jarige coureur, Pierre. Jong en naïef, een fles water was zijn enige recupereermiddel. Hij keek enorm tegen mij op. Het was einde seizoen, we hadden een plastic zak vol gebruikte spuiten, potjes, ampullen, flesjes. Ik schaam me nu ik dit vertel, maar we klopten lachend bij Pierre aan en gaven hem die zak: un cadeau pour toi! Die blik van hem vergeet ik nooit. Diep ontgoocheld. Twee weken later stopte hij met wielrennen.”

Goed voor hem toch? Het klinkt als een asociale ongezonde rotsport.

„Ja, dat vertelde ik mezelf ook, ter zelfrechtvaardiging. Maar ongezond? Nu ik het onregelmatig filmleven leid, met veel drinken, vraag ik me af of trainen en groeihormoon spuiten per se slechter is. Wie zal het zeggen?”

Is ‘Coureur’ uw afscheid van de wielersport?

„Ik dacht al zo vaak dat ik klaar was, maar na een tijdje begint het toch te knagen. Ik fiets nu op amateurniveau en moet mezelf telkens afremmen. Zegt mijn vriendin: zijde gij weer bezig? Zit ik al de hele dag op die roller te trainen. Het is een verslaving. Endorfine. Adrenaline. De kick van het winnen.”