Brieven

En de man die na een vrouw komt, hoe beoordelen we die?

Het opvallende aan het fenomeen van de gelijkheid van vrouwen aan mannen op de arbeidsmarkt, is dat die gelijkheid altijd wordt uitgedrukt in relatie tot mannen. „De eerste vrouwelijke……..”, „net zo goed als alle mannen”, „de enige vrouw in een mannenwereld”. Dat de positie van de vrouw op alle gebieden in de samenleving veranderd is, is onmiskenbaar waar. En dat verandering zich altijd laat uitdrukken in relatie tot het voorgaande ook. Maar zolang de man het referentiekader is waartoe de vrouw zich verhoudt, in hoeverre is er dan sprake van echte gelijkheid?

In de reeks artikelen uit afgelopen weekendeditie (Zij waren de eersten, 4 en 5 mei), die vrouwenemancipatie rijkelijk illustreert, werd nog eens duidelijk dat de man de maatstaf blijft voor vrouwelijke kwaliteiten. In de poging daarmee gelijkheid uit te drukken, blijft de vrouw een uitzondering, en wordt geen (onderdeel van de) standaard. Daar ontvouwde zich een interessante paradox. Als de vrouw het mannelijke evenaart, dán is ze even goed. Dit wil dus zeggen dat de toon – van kwaliteit en competentie – door de man wordt gezet. Persoonlijk kom ik het omgekeerde weinig tegen: „deze man is net zo goed als vrouwen in zijn beroepsgroep”. Nee, dan is de man simpelweg goed in zijn vak. Uiteraard is ook de manier van benaderen bij deze ‘uitzondering’ genuanceerder dan dit. Maar interessant blijft dat de competentie van vrouwen – meer dan bij mannen het geval is – wordt uitgedrukt in relatie tot die van de andere sekse. Moeten we hieruit begrijpen dat de huidige ‘gelijkheid’ op de arbeidsmarkt vooral nog een poging is? Ik verheug me erop ergens te horen of te lezen „dat we maar moeten hopen dat hij net zo goed is als zijn vrouwelijke voorganger”. Of zou het dan niet zoveel uitmaken dat die voorganger toevallig een vrouw was?