Chinese oertaal verspreidde zich met gierstlandbouw

Historische taalkunde Met behulp van genetische analysetechnieken bouwden taalkundigen een stamboom voor de Sino-Tibetaanse taalgroep.

Gierst. Met de leden van een vroege landbouwcultuur verspreidde zich ook een taalfamilie.
Gierst. Met de leden van een vroege landbouwcultuur verspreidde zich ook een taalfamilie.

De Sino-Tibetaanse talen, met het Chinees, Birmees en Tibetaans als grootste talen, stammen waarschijnlijk af van een oertaal die ruim 7.000 jaar geleden gesproken werd door de leden van een vroege landbouwcultuur (met gierst, varkens, geiten en schapen) in Noord-China, ten zuidoosten van Beijing. Met de verspreiding van die landbouwcultuur verspreidde zich daarna ook die taalfamilie. Dit is de conclusie van een taalkundige vergelijking die is geïnspireerd op analyse van DNA-variatie, met in plaats van genen de huidige woorden voor 180 basisconcepten in vijftig van de ruim 500 talen uit deze taalfamilie. Dit schrijft een team van vooral Franse taalkundigen deze week in de PNAS.

Het gaat in de analyse om concepten als boven, kind, dochter, brandhout, vrieskou, hier, verlegen, weten, trouwen en trekken. Analyse van de Sino-Tibetaanse taalfamilie is niet gemakkelijk. Ten eerste door de enorme variatie: met één gigantische taalgroep (Chinees, met ca. 1,2 miljard sprekers) en 500 vaak heel verschillende kleine talen (met Birmees, 33 miljoen, en Tibetaans, 6 miljoen, als grootsten). Van de 180 geanalyseerde concepten komen er maar vier in (vrijwel) alle onderzochte talen als verwant woord voor: drie, vier, droom en naam. En van het oude Chinees bestaan wel teksten van ruim 3.500 jaar oud, maar door het karakterschrift is de voor dit soort analyses noodzakelijke omzetting van die karakters naar fonemen uiterst complex. Door oude bronnen zoals het op kleitabletten geschreven Hittitisch (circa 3.600 jaar oud) is een reconstructie van het Proto-Indo-Europees (de oertaal van een andere grote taalfamilie) redelijk gelukt, maar het Proto-Sino-Tibetaans is nog altijd een probleem.

Meeste variatie

Omdat het Chinees in China alle andere talen weggedrukt heeft, komt de meeste variatie aan de rand van het verspreidingsgebied voor, vooral in Noord-India en geïsoleerde berggebieden in de Himalaya.

De nieuwe analyse in de PNAS vormt een ondersteuning van de theorie dat er twee hoofdgroepen in het Sino-Tibetaans bestaan: de Chinese groep en alle andere talen. Anders gezegd: het Chinees is de eerste afsplitsing van de oertaal. Een alternatieve theorie, van onder meer de Nederlandse taalkundige George van Driem, is dat het Chinees slechts een van de vele aftakkingen is. Volgens die theorie wordt de taalgroep dan ook meestal Tibeto-Birmees genoemd. Het oorsprongsgebied wordt vaak gezocht in de Himalaya of in Centraal-China. De PNAS-analyse, die gebaseerd is op woordvormen en woordenschat, zal de controverse misschien beïnvloeden maar niet beslissen, omdat de ideeën over de indeling van de taalfamilie ook zwaar leunen op vervoegingen en andere grammaticale kenmerken.

De studie in de PNAS verschijnt kort na een vergelijkbare studie in Nature die opvallend genoeg precies dezelfde conclusie trok uit een evolutionaire analyse van 949 concepten in 109 Sino-Tibetaanse talen. Het Chinese team, dat net andere analysetechnieken gebruikte, kwam wel uit op een iets jongere oorsprong. Het Oer-Sino-Tibetaans werd volgens hen niet 7.200 jaar geleden gesproken, maar 6.000 tot 4.000 jaar geleden.