CBS: de rijken worden rijker, de armen ook (een beetje)

Ongelijkheid in Nederland De inkomens- en vermogensongelijkheid is iets afgenomen. Wel blijft de ongelijkheid in vermogen groot, en zijn er regionaal flinke verschillen.

Met het aantrekken van de economie en de stijging van de huizenprijzen, neemt de vermogensongelijkheid in Nederland weer ietsje af. Ook de inkomensongelijkheid, die door de crisis en de vergrijzing licht was opgelopen, neemt sinds een aantal jaren weer licht af. Die conclusie trekt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het dinsdag verschenen rapport Ongelijkheid in inkomen en vermogen.

De besteedbare inkomens zijn in Nederland traditioneel betrekkelijk gelijkmatig verdeeld. De zogenoemde Gini-coëfficiënt, die de ongelijkheid meet, staat op 0,29, vergelijkbaar met landen als Ierland, Oostenrijk en Zweden. Een Gini van 0 betekent dat iedereen precies evenveel inkomen heeft, een Gini van 1 betekent dat 1 persoon al het inkomen heeft en de rest niks. Voor vermogens is de verdeling schever: de Gini-coëfficiënt bedroeg in 2017 0,79, een fractie lager dan een jaar eerder, dankzij de hogere huizenprijzen. Deze is internationaal gezien nog steeds hoog.

Grote regionale verschillen

Die gemiddeldes zeggen niet zo heel veel. Uit de gegevens van het CBS blijkt dat de verschillen per gemeente groot zijn. Grote steden scoren slechter op zowel inkomens- als vermogensongelijkheid. In de vier grote steden wonen relatief veel studenten met lage inkomens en vermogens, die het verschil met de rest van de bevolking vergroten. Ook het relatief grote aantal uitkeringsgerechtigden en mensen met een migratieachtergrond maken de vermogensverschillen in de steden groter dan elders (een Gini van meer dan 0,85). Daar staat tegenover dat in kleinere, relatief vergrijsde kernen de inkomensverschillen juist kleiner zijn, net als de vermogensverschillen in vergrijsde gemeenten (zoals Bergeijk en Sint Anthonis in Brabant). Daar wonen veel mensen die al hun hele leven vermogen hebben kunnen opbouwen.

Alleen de VS hebben een oneerlijkere verdeling van vermogen dan Nederland

Om de inkomens- en vermogensongelijkheid inzichtelijk te maken, trekt het CBS sinds enkele jaren een economische klassieker uit de kast: de Parade van Pen, een methode die in 1971 gemunt werd door de econoom Jan Pen (1921-2010). Het principe van de parade is simpel: stel het gemiddelde inkomen, of het gemiddelde vermogen, gelijk aan de gemiddelde lengte van een Nederlander. Laat vervolgens alle Nederlanders in een uur aan je voorbijtrekken. Zo ontstaat een stoet mensen die begint met dwergen (kleine inkomens of vermogens), via een groep min of meer gemiddelde Nederlanders tot een staartje van reuzen.

Het CBS maakte ook voor 2017 twee parades: een met de inkomens van de 8 miljoen huishoudens en een met de vermogens. Gemiddeld heeft een huishouden in Nederland in 2017 een besteedbaar inkomen van 28.800 euro. Dat wordt gelijkgesteld aan de gemiddelde lengte in 2017: 1,74 meter. Voor vermogens geldt: gemiddeld hadden huishoudens in 2017 een vermogen van 163.800 euro.

Twee Parades van Pen

De klok staat op nul, de stopwatch wordt ingedrukt en de parade loopt.

In de Inkomensparade van Pen van 2017 komt er in de eerste minuut een vreemde stoet voorbij: de mensen daar lopen ondersteboven. Het betreft vaak ondernemershuishoudens waarvan de onderneming verlies draaide en waarbij dus een negatief besteedbaar inkomen resteerde.

Daarna volgen minutenlang de dwergen met een kleine uitkering of een klein pensioen. Rond de zevende minuut duiken de AOW’ers zonder aanvullend pensioen op (14.000 euro per jaar), gevolgd door de mensen met een klein aanvullend pensioen. Op minuut dertig passeert de mediane Nederlander, het middelste inkomens van alle huishoudens (25.700 euro) en niet lang daarna, op minuut 36, passeert het gemiddelde inkomen van 28.800 euro.

Op minuut 50 bedraagt de lengte van huishoudens al 2,5 meter, en daarna gaat het rap omhoog. Huishoudens met een inkomen van meer dan 50.000 euro passeren in de laatste vier minuten. De laatste minuut is voor de huishoudens met een inkomen van meer dan 132.000 euro. De lengte van de laatste paradegangers is opgelopen tot bijna 8 meter, ruim 4,5 keer de gemiddelde lengte.

Dan de Vermogensparade van Pen van 2017. Daar verstrijkt eenvijfde van de tijd ‘ondergronds’: zoveel huishoudens hebben een negatief vermogen, veelal veroorzaakt door een hogere hypotheekschuld dan de waarde van de woning. Ook veel zelfstandigen met een negatief vermogen zitten in deze groep. Pas in minuut dertien komen de eerste dwergen bovengronds. Ze meten nauwelijks 2 centimeter, wat overeenkomt met vermogens van hooguit 2.000 euro. Op het halve uur bedraagt het vermogen 26.100 euro, hetgeen overeenkomt met een lengte van bijna 28 centimeter.

In grote steden zijn de vermogensverschillen groter dan elders

Als de gemiddelde Nederlander van 1,74 meter passeert, staat de klok op 44 minuten. Het vermogen is dan 163.800 euro. Op minuut 58 komen de vermogens van meer dan een miljoen voorbij. De laatste minuut is voor de giganten met vermogens van 3,2 miljoen euro en meer. In lengte zouden zij richting de 33 meter gaan, negentien keer de gemiddelde lengte. Stop de tijd.

Nederlands trendbreukje

Sinds het boek Kapitaal in de 21ste eeuw van de Franse econoom Thomas Piketty eind 2013 verscheen, is het debat over inkomens- en vermogensongelijkheid hoog opgelopen. Piketty stelde op basis van historische data vast dat mensen die vermogen hebben dat vermogen sneller zien toenemen dan dat de economie groeit. Simpel gezegd: de rijken worden rijker, de armen armer. Met de cijfers van het CBS in de hand, valt daar nu een Nederlands trendbreukje in te ontdekken: de vermogensongelijkheid neemt af.

Op het gebied van vermogensongelijkheid is Nederland verre van gematigd, zo bleek vorig jaar al uit een onderzoek van de OESO. Alleen de Verenigde Staten hebben een oneerlijker verdeling van vermogens dan Nederland: waar in Nederland 64 procent van de vermogens in handen is van de rijkste 10 procent van de huishoudens, was dat in de VS 79 procent. Anders gezegd: de armste 10 procent van de Nederlandse huishoudens heeft een gezamenlijk negatief vermogen (lees: schuld) van 51 miljard euro. De rijkste 10 procent een gezamenlijk vermogen van net iets meer dan 800 miljard.

Die superrijken zien hun vermogen nog steeds toenemen, Piketty indachtig. Het is dankzij de stijgende huizenprijzen dat ook de minder vermogenden nu een inhaalslagje maken. De ongelijkheid is daarmee iets afgenomen, maar ongelijk verdeeld blijft het.