Recensie

Recensie Beeldende kunst

Speelse en verliefde God schept de aarde met een knipoog

Peter Vos Een heruitgave van Peter Vos’

‘Scheppingsverhaal’ toont hoe fris en geestig de kunstenaar kon tekenen. Vooral als hij verliefd was.

‘Scheppingsverhaal’ (1959) van Peter Vos werpt een woordeloze blik op het ontstaan van de aarde, waarin het talent van Vos voor het tekenen van dieren al merkbaar is.
‘Scheppingsverhaal’ (1959) van Peter Vos werpt een woordeloze blik op het ontstaan van de aarde, waarin het talent van Vos voor het tekenen van dieren al merkbaar is. Peter Vos
    • Paul Steenhuis

Zo fris en onzwaarwichtig als God getoond wordt in het onlangs heruitgegeven scheppingsverhaal van tekenaar Peter Vos, kom je hem zelden tegen. God wordt tegenwoordig vooral geassocieerd met grimmigheid en fanatici die aanslagen plegen.

Toen Peter Vos (1935-2010) zestig jaar geleden zijn paradijsverhaal tekende waren het andere tijden – en hij was verliefd. Hij was net een jaar van de kunstacademie, de Rijksacademie in Amsterdam, in 1959. In Utrecht was hij begonnen aan zijn carrière als tekenaar en kunstenaar. Hij had de gewoonte geliefden mooie tekeningen of getekende boeken in een oplage van één exemplaar te geven.

En in 1959 was Mieke Heybroek, een jonge studente aan de Rijksacademie, het voorwerp van zijn liefde. Op 5 december schonk Vos haar als Sinterklaasgeschenk een boek van vijftig pagina’s met de opdracht: “dit paradijsverhaal is voor jou, 5 dec. Peter.” Zelf noemde hij het boek Paradijsverhaal voor Mieke – Genesis in Pantomime.

Scheppingsverhaal zonder woorden

Woorden komen er, zoals de omschrijving ‘pantomime’ al aangeeft, niet aan te pas in dit scheppingsverhaal. Het werd onlangs in facsimile heruitgegeven (door uitgeverij Rubinstein, met een begeleidend boekje vol achtergrondinformatie van kunsthistoricus Jan Piet Filedt Kok). Het origineel is ook te zien op een expositie in het Centraal Museum in Utrecht (tot 16 juni).

De duisternis die er aan het begin van het scheppingsverhaal heerst, zijn twee levendig zwart geschilderde pagina’s aan het begin van het boek. Daarna zien we een mannetje met baard in monnikspij rondzweven in het zwarte heelal, dat een idee krijgt en een knipoog geeft. Hij ontsteekt een lucifer en beziet het heelal.

Vervolgens zet hij als een soort superheld zwevend koers naar de aarde, waar hij opgewekt begint met scheppen – eerst met een schep, uiteraard. Hij draait ook een grote gloeipeer in: de zon. Die schijnt zo fel dat God een zonnebrilletje opdoet.

Peter Vos beeldt de schepping speels uit, losjes getekend met rake pennestreken. En vol geestigheden. Je ziet God met plezier beesten in elkaar knutselen – een neushoorn, ja die is niet af zonder neushoorn. De zwemvliezen van een zwaan, die worden apart ingezet als kleine driehoekjes. Het is puur scheppingsplezier. Vos kon fenomenaal dieren tekenen, zoals hij dat ook later in zijn beroemde Beestenkwartet (1970) en de Sprookjes van de Lage Landen (1972) zou laten zien. Het verhaal loopt, zoals bekend, slecht af. Als God voor Adam, een eenzaam dartelend bloot mannetje, een vrouwtje schept, wordt God jaloers. Hij kleurt rood – in het verder zwart-witte boek. Hij heeft een oogje op Eva. God verkleedt zichzelf als slang, en verleidt Eva tot de appel, waarna beide mensen het Paradijs moeten verlaten.

Tussen Mieke en Peter werd het uiteindelijk niets, maar ze nam wel de eerste stappen tot uitgave van dit liefdesgeschenk.