Frans Rutten predikte de vrije markt en de terugkeer van Christus

Frans Rutten (1934-2019) Zijn befaamde nieuwjaarsartikelen hadden jarenlang de status van alternatieve troonrede. Maar geleidelijk verloren Economische Zaken en zijn secretaris-generaal aan macht.

Frans Rutten, voormalig secretaris-generaal van Economische Zaken, in 2002.
Frans Rutten, voormalig secretaris-generaal van Economische Zaken, in 2002. Jasper Juinen

De jaarlijkse beschouwing over de nationale economie door de secretaris-generaal van Economische Zaken in economenvakblad Economisch Statistische Berichten (ESB) bestaat al sinds 1957. Maar een echte politieke lading kregen de ‘nieuwjaarsartikelen’ pas toen ze geschreven werden door professor Frans Rutten, zeventien jaar lang (van 1973 tot 1990) de hoogste man op het ministerie. Afgelopen donderdag is hij op 84-jarige leeftijd overleden.

Vanwege hun betekenis stonden Ruttens ESB-artikelen op een gegeven moment in Den Haag bekend als de „alternatieve troonrede”, en in zekere zin hadden ze ook die status. Dat was in het begin van de jaren tachtig, toen premier Ruud Lubbers (CDA) met zijn no-nonsensebeleid stevige bezuinigingen doorvoerde. De niet-politieke voeding voor dit beleid kwam in eerste instantie van Frans Rutten, ambtelijk leider van het ministerie van Economische Zaken.

Rutten was lid van het CDA, maar stond economisch veel dichter bij de VVD. Onder het kabinet-Den Uyl, met een jonge Lubbers als minister van Economische Zaken, werd de iets oudere (39 jaar) Rutten secretaris-generaal op ‘EZ’.

Ten tijde van de formatie van het eerste kabinet-Lubbers, in 1982, werden Tweede Kamerleden van CDA en VVD enkele weken op Ruttens ministerie ‘opgesloten’ om de sociaal-economische en financiële paragraaf van het regeerakkoord te schrijven. Daar binnen het departement aan de Haagse Bezuidenhoutseweg raakten zij door toedoen van Rutten en zijn ‘boys,’ zoals de jonge medewerkers werden genoemd, van de ernst van de economische situatie overtuigd.

Bepalend advies

Het waren de jaren dat Economische Zaken in ambtelijk en politiek Den Haag een statuur had die het allang niet meer heeft. Rutten was voorzitter van de Centraal Economische Commissie, een van de belangrijkste adviesorganen van het kabinet. In die commissie zaten topambtenaren van Economische Zaken, Financiën, Algemene Zaken, Sociale Zaken en vertegenwoordigers van Centraal Planbureau en De Nederlandsche Bank. De adviezen van de CEC – spreek uit als Sec; de iets lagere ambtenaren kwamen bijeen in de ‘demi-sec’ – waren in die bezuinigingsjaren uiterst bepalend.

Tot de Rutten-boys behoorden onder anderen Gerrit Zalm (later minister van Financiën), Chris Buijink (voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken), George Verberg (uiteindelijk directeur van de Gasunie) en Jan-Willem Oosterwijk (thesaurier-generaal op Financiën). Het waren twintigers en dertigers die in nauw contact stonden met generatiegenoten op het ministerie van Financiën. In hun opvattingen hadden ze één ding gemeen: de collectieve sector was te groot en de vrije markt moest ruimte krijgen.

Bij de vorming van het tweede kabinet-Lubbers, in 1986, adviseerden de ambtenaren van Financiën een grotere bezuiniging dan hun collega’s op Economische Zaken verantwoord achtten. De politiek koos, via het ontwerp-regeerakkoord van informateur Jan de Koning (CDA), voor Financiën. Vanaf dat moment was het met de grote macht van Rutten gedaan. Maar de koers was toen al lang en breed verlegd ten gunste van meer marktwerking.

Reaganomics

Cees Oudshoorn, directeur economische zaken bij werkgeversorganisatie VNO-NCW en afkomstig van EZ, kwam er tien jaar geleden tegenover NRC Handelsblad op terug: „Het economische herstelbeleid dat door het kabinet-Lubbers in de jaren tachtig werd ingezet, werd grotendeels ingefluisterd door de secretaris-generaal van Economische Zaken.” De ideologische strijd ging toen over de vraag hoe je economische groei moest bevorderen: door bezuinigen en belastingverlaging, of door stimulering van de bestedingen. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk was sanering van de overheidshuishouding in die dagen onder Ronald Reagan en Margaret Thatcher ook kern van het beleid. Oudshoorn: „Met zijn nieuwjaarsartikelen maakte Rutten Reaganomics in Nederland salonfähig.”

Rutten zei zelf in 1999 tegen dagblad Trouw over zijn rol: „Je ziet vaak dat je eerst moet vastlopen voor je tot het besef komt dat het helemaal anders moet. Daar kun je lang of kort over doen. Wij hebben in Nederland de opeenvolging van verval en herstel binnen een periode van tien jaar afgewikkeld. Daardoor hebben we nu een van de sterkste economieën in Europa.”

In 1990 vertrok Rutten als secretaris-generaal bij Economische Zaken. Hij werd voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Het gerucht dat de nieuw aangetreden minister Koos Andriessen (CDA) van zijn invloedrijke ambtenaar af zou willen, weersprak Rutten ten stelligste. Andriessen had van alle ministers die hij gediend had, juist „het meest constructieve commentaar” op zijn nieuwjaarsartikel gegeven, zei hij.

Orthodox katholiek

Rond de eeuwwisseling, hij was inmiddels met pensioen, werd Rutten fanatiek en orthodox katholiek. Hij spande onder meer een kort geding aan tegen kardinaal Simonis omdat deze de pastoraal werkers te veel vrijheid zou geven. In die tijd voorspelde Rutten ook de terugkeer van Christus op aarde. Op 11 april 2002 zou het zover zijn. En, zo voegde hij aan die mededeling toe, hij was niet ‘mataglap’ geworden.

Lees ook de reportage die Marcel Haenen in 2002 maakte over Ruttens reis naar Spanje

In het bijzijn van onder anderen een redacteur van NRC Handelsblad vertrok Rutten op de grote dag samen met 200, deels zwaar lichamelijk of geestelijk gehandicapte volgelingen naar het Spaanse Garabandal om Christus’ komst af te wachten. Het door hem voorspelde Groot Wonder bleef uit. Het bleek een verzinsel te zijn, constateerde het voormalig ‘Orakel van Den Haag’ ter plekke. Daarna werd het stil rond hem.