Opinie

    • Ido Weijers

Onze zorgenkinderen verdienen beter

Jeugdzorg Zoals voorspeld is de decentralisering van de (jeugd)zorg naar de gemeenten desastreus uitgepakt. Er moet snel wat gebeuren. Om te beginnen: haal de toegang tot de jeugd-ggz weg bij de gemeente, schrijft .

Kast in een spreekkamer van de Zeeuwse kinder- en jeugdkliniek Emergis
Kast in een spreekkamer van de Zeeuwse kinder- en jeugdkliniek Emergis Foto Ans Brys

Het kan nog jaren duren voor de jeugdzorg op orde is, waarschuwde Marjanne Sint, voorzitter van de Transitie Autoriteit Jeugd vorig jaar. Zelfs „tien à vijftien jaar”, meent Marina Kruithof, bestuurder van Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond.

Des te pijnlijker is dat de gebreken van het nieuwe stelsel die sinds 2015 aan het licht zijn gekomen vooraf allemaal waren voorspeld. Ideologie en bezuinigingsstreven vonden elkaar rond noties als ‘de zorg dichter bij de burger brengen’, ‘ontzorging’ en ‘demedicalisering’. Dit enthousiasme maakte blind voor evidente risico’s en negatieve gevolgen.

Destijds werd Denemarken vaak als lichtend voorbeeld genoemd. Daar was men in 2007 overgestapt op decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten. Maar de Denen hadden een veel langere voorbereidingstijd. Ze reduceerden het aantal gemeenten van 271 naar 98, terwijl Nederland er nog altijd zo’n 380 heeft. En toen in Denemarken bleek dat er te veel lichte zorg werd ingekocht ten koste van specialistische zorg, kwam er spoedig geld bij.

Als we van onze jeugdzorg nog iets willen redden, zal dat laatste ook hier snel moeten gebeuren. De instellingen voor specialistische jeugdhulp hebben grote financiële problemen; ze moeten krimpen of sluiten. De gemeenten hebben tekorten op de jaarbudgetten van jeugdzorg; bij eenvijfde zelfs meer dan 40 procent. In totaal gaat het jaarlijks om vele honderden miljoenen. Dit komt deels doordat de vraag, anders dan verwacht, niet afnam, maar blijft stijgen. Getuige de spectaculaire stijging van de lichte zorg sinds 2015 speelt het enthousiasme waarmee de wijkteams het veld zijn ingestuurd om vooral ‘preventief’ werk te doen vermoedelijk minstens zo’n sterke rol. Maar het geldgebrek is allereerst een gevolg van de desastreuze beslissing om de transitie te koppelen aan een megabezuiniging van 450 miljoen per jaar. Het is geen verrassing; de problemen zijn van meet af aan voorzien.

380 gemeenten

Zeker zo noodzakelijk als extra geld zijn maatregelen tegen de gevolgen van de versnippering van de jeugdzorg over die 380 gemeenten. Gespecialiseerde instellingen en vrijgevestigde specialisten moeten sinds 2015 zaken doen met tientallen zo niet honderden gemeenten. Dat dwingt hen een disproportioneel deel van hun middelen te besteden aan onderhandelen en administratie in plaats van aan zorg. Ernstig zieke kinderen worden hier de dupe van, zoals hoogleraar jeugdpsychiatrie Manon Hilligers vorig jaar in haar oratie duidelijk maakte.

Lees ook: Meer geld alleen helpt de jeugdzorg niet vooruit

De redding van de jeugdzorg vereist dat de toegang tot de jeugd-ggz wordt weggehaald bij de gemeente. De huidige situatie is een onnodig geradicaliseerde versie van het oorspronkelijke transitieplan van André Rouvoet, minister voor Jeugd en Gezin in Balkenende IV. Rutte II zag vervolgens een enorme besparingsmogelijkheid in het onderbrengen van de toegang tot de jeugd-ggz bij de gemeente. Maar Rouvoet heeft zich hier juist altijd met goede argumenten tegen gekeerd. Hij achtte het losknippen van de jeugd-ggz uit de totale ggz onnodig voor het realiseren van een goede samenwerking met de jeugdzorg. En onlogisch omdat zo de Zorgverzekeringswet en de AWBZ op iedereen van toepassing werden, behalve op minderjarigen. Bovendien komen jongeren met psychische problematiek zodra ze achttien worden alsnog in de ggz terecht.

Besef van verantwoordelijkheid

Door de jeugd-ggz tegen alle waarschuwingen in mee te nemen in de decentralisering van de zorg naar de gemeenten ontstond een enorme versplintering. Het besluit toont een gebrekkig besef van nationale verantwoordelijkheid voor onze zorgenkinderen. Zo ontbreekt een doorwrocht, door professionals gedragen, algemeen geldend kwaliteitskader voor de jeugdzorg.

Dit wreekt zich onder meer op het principiële punt van de rechtsongelijkheid die sinds 2015 kenmerkend is geworden voor ons systeem van jeugdzorg (net als in Denemarken, overigens), en die voortvloeit uit de verschillende criteria die worden gehanteerd en het uiteenlopend aanbod en niveau van voorzieningen van de gemeenten. In Denemarken heeft dit ertoe geleid dat ouders soms besloten te verhuizen naar een andere gemeente, zodat hun kind de noodzakelijke zorg kon krijgen.

Typerend is ook dat het aantal plekken in open jeugdzorginstellingen sinds 2015 ondanks waarschuwingen snel is afgebouwd. Vorig jaar wezen 500 jeugdrechtadvocaten er in een brandbrief aan het ministerie van VWS op dat daardoor steeds meer jongeren in een gesloten instelling moesten worden geplaatst.

Lees ook: Uw dochter komt voorlopig niet meer thuis

Typerend is ook dat Rotterdam al ruim voor de transitie voorop liep met de ongebreidelde inzet van drang – waarbij kinderen zelfs zonder rechterlijke beslissing gesloten worden geplaatst. Tot wat voor misstanden dat kan leiden kwam onlangs aan het licht, toen bleek dat een Rotterdamse instelling een kind wegnam bij haar moeder zonder vrijwillige toestemming van de moeder of een besluit van de kinderrechter (Veilig Thuis was verdacht van onttrekking ouderlijk gezag, NRC 22/4). Den Haag was er al lang van op de hoogte, maar greep niet in.

Hoe noodzakelijk de ingrepen in het systeem zijn blijkt uit recente uitspraken van Hans du Prie in NRC, jarenlang bestuurder van Horizon, een van de grote jeugdzorgaanbieders: „We zitten gevangen in systemen die we niet wilden. [...] We hebben een dodelijk systeem gebouwd. Zonder fundamentele veranderingen is het over een jaar nog veel erger. Dan voorspel ik grote ongelukken.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.