Kunst is een essentieel mensenrecht

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: superster Gustavo Dudamel blijft niet in de geprivilegieerde bubbel van Princeton.
Illustratie Eliane Gerrits

Er gaat een wervelwind door Princeton. Maestro Gustavo Dudamel, de 38-jarige dirigent van de Los Angeles Philharmonic, is hier als gastdocent. De jongensachtige man met zijn wilde bos krullen is overal te horen en te zien. Tijdens zijn lezingen keert hij af en toe in zichzelf en glimlacht. Dan hoort hij muziek in zijn hoofd. Deze superster gelooft hartstochtelijk in de magie van muziek. Waar hij ook komt, verspreidt hij de boodschap dat muziek plezier en schoonheid is en de wereld kan veranderen.

Dudamel komt uit Venezuela en is de bekendste oud-leerling van El Sistema, een succesvol initiatief van zijn leermeester José Antonio Abreu, waarin honderdduizenden kinderen uit alle lagen van de bevolking de kans krijgen muziek te maken. Het systeem was zeer aan hem besteed. De jonge Gustavo plaatste zijn speelgoedpoppetjes in de vorm van een orkest, zette een plaat op, begon te dirigeren en is daar niet meer mee gestopt.

Binnen een paar jaar stuwde hij de LA Phil op tot grote hoogten. Geen orkest is zo in staat zich te verbreden, een groot en divers publiek aan zich te binden én, niet onbelangrijk, ook winstgevend te zijn. En dat alles in Los Angeles, niet de meest vanzelfsprekende plaats voor klassieke muziek. Tegelijkertijd werkt hij daar ook met jeugdorkesten in achterstandswijken.

Ik vraag hem hoe hij omgaat met de onmogelijke spagaat: enerzijds de hoogste excellentie bereiken met zijn concerten en anderzijds de armste bevolkingsgroepen aan het musiceren krijgen. Het is eenvoudig, zegt hij, het ene kan niet zonder het andere. Beide komen voort uit dezelfde passie. Hij is het levende bewijs daarvan.

Studenten raken niet over hem uitgesproken. Maar Dudamel blijft niet in de geprivilegieerde bubbel van Princeton. Hij gaat ook naar Trenton, een van de armste en gevaarlijkste steden in Amerika, op een steenworp hiervandaan. Hij voelt zich thuis tussen de kinderen die weinig hebben en voor wie de muziek een veilige haven is. Ik was net als zij, vertelt hij. We deelden één viool met z’n vijftienen.

Het is allemaal moeilijk met elkaar te rijmen. Zijn Hollywoodleven en de ellende in Venezuela, nu een land aan de rand van de afgrond. Iedere dag zien we de beelden van een land in paniek: geweld, revolutie, honger, armoede. Drie miljoen Venezolanen hebben hun land al verlaten.

Hij gaat vaak terug, vertelt hij, om daar te werken met de kinderen. Veelal jonge, arme kinderen, die zijn achtergebleven omdat ze niet in staat zijn te vluchten. Toen zijn leermeester maestro Abreu aan het einde van zijn leven gevraagd werd hoe El Sistema zonder hem verder moest, was zijn antwoord eenvoudig: de kinderen. Hij kreeg gelijk, zegt Dudamel. De kinderen geven elkaar nu les. De muziek geeft hun waardigheid, een identiteit ondanks de schrijnende armoede.

Kunst is een essentieel mensenrecht, zegt hij. In kunst leeft de hoop op vrijheid. Als mensen zouden luisteren – en hij bedoelt letterlijk luisteren naar muziek – zal de wereld veranderen.

Ik blijf denken aan de achtergebleven kleine kinderen die ondanks alles muziek blijven maken. Met elkaar.

Reacties naar pdejong@ias.edu