Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Grijze jas

We hadden een begrafenis in Dongen, de laatste zus van mijn vader was overleden. We gingen er allemaal naar toe, mijn moeder reisde met mijn slechtziende broer.

Ik zag ze zitten in de kerk, ze droeg een grijze jas.

Buiten, na de dienst sprak ik haar.

Ze zei: „Wat is dit voor een lente? Wat is het toch koud, ik ben blij dat ik een jas aan heb.”

We liepen naar het restaurant, waar de koffietafel was.

Ze hing het liefst aan de arm van mijn broer.

Ik zag neven en nichten die ik lang niet had gesproken. Ik zag haar pas weer in de rij voor de garderobe. O, dat vervloekte Valys, de taxiservice waarmee ze samen vanuit Velp waren gekomen. Nou had die chauffeur, die slingerend reed en onderweg wel vijf keer was gestopt om mensen in- en uit te laden, weer gezegd dat hij ze tussen twee en vier weer zou komen halen. Wanneer was tussen twee en vier? Hoe laat was het? Ze keek op haar horloge, nou, daar had je het al.. Half twee. Had het dan nog zin om je jas op te hangen? Als ze eindelijk aan de beurt was, was het waarschijnlijk al kwart voor drie. En dan?

Ze keek me aan.

„En dan jongen?”

Ik zei dat ik haar jas wel voor haar op wilde hangen en ik begon alvast aan een mouw te trekken.

Ze verzette zich.

„Ja kom nou, dan weet ik toch zelf niet waar hij hangt?”

„Hang ’m dan over een stoel.”

„Ikke niet, kom nou zeg. Wat zullen ze wel niet denken?”

Gelukkig nam mijn broer de beslissing om de jas gewoon op te hangen.

Een kwartier later wenkte ze me, ze nipte van haar koffie.

„Hoe laat is het? Zal ik mijn jas alvast gaan halen? Nee, nog niet?”

Mijn broer, ik bewonderde zijn engelengeduld, zei dat dat heus nog niet hoefde omdat hij het nog nooit had meegemaakt dat een chauffeur van Valys er op de afgesproken tijd was.

„Zou je dan even kunnen kijken of hij er nog hangt?”

Goede grap van hem eroverheen: „Mama, ik ben bijna blind.”

Ze vertrokken uiteindelijk zonder dat ik het in de gaten had. Een neef zei dat hij haar nog had gezien in de garderobe. Ze was daar op zoek naar een grijze jas geweest.

Een vrouw van de bediening zei: „Bent u op zoek naar de mevrouw met de grijze jas? Die is weg, ze heeft haar jas aan.”

’s Avonds belde mijn moeder dat de terugreis goed was verlopen. Ze had het onderweg ‘bloedheet’ gehad want de verwarming in het busje stond veel te hoog en ze had haar jas aangehouden. Een volgende keer ging ze zonder jas.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.