Opinie

    • Frits Abrahams

Gellhorn was liever man

In de boekenkast van mijn dochter stuitte ik op Martha Gellhorn. Bekende naam, toch weinig van gelezen. Zij was voor mij de avontuurlijke vrouw van de oorlogsreportage, een van de eersten die schreef over Dachau.

Dit boek, in 2006 uitgekomen onder de titel Selected Letters of Martha Gellhorn, ging over iets heel anders, over Martha Gellhorn (1908 - 1998) zélf en haar relaties met anderen. Het heette in de vertaling van Christien Jonkheer De ogen van miljoenen en bevatte een royale selectie (630 pagina’s) uit de tienduizenden brieven die Gellhorn schreef. Ik bladerde erin en was meteen gegrepen door de directe, openhartige toon.

Nu ik het uitgelezen heb staat er een bijzondere vrouw onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift: gulzig levend, voortdurend reizend en verhuizend, foute mannen beminnend (vooral Ernest Hemingway), grote risico’s aanvaardend en alsmaar schrijvend aan een grillig oeuvre, dat naast journalistiek werk veel middelmatige fictie bevatte omdat ook háár schoorsteen, waar ook ter wereld, moest blijven roken.

De Spaanse Burgeroorlog was haar eerste ingrijpende journalistieke avontuur. Haar aandacht als verslaggever ging primair uit naar de slachtoffers van de oorlog. „Ik zweer je”, schrijft ze Hemingway, „dat ik nog nooit anders heb gezien dan dat de onschuldigen en de onbewapenden worden vervolgd en vernietigd.”

Wat haar brieven zo goed verteerbaar maakt, is de nuchtere blik die ze op zichzelf werpt. Ze wordt nooit zelfgenoegzaam, integendeel, ze spaart zichzelf allerminst. Ze vindt zich „niet zo’n goeie schrijver”, toevallig is schrijven het enige wat ze kan. Ze gelooft niet dat de journalistiek iets uithaalt, maar ze wil nu eenmaal „deel uitmaken van wat iedereen overkomt”.

Ze eist volhardend haar rechten op als vrouwelijke verslaggever, maar ze vindt het „vreselijk, als vrouwen publiekelijk het vrouwtje gaan uithangen, vooral als het een goed vak als schrijven betreft”. Liever was ze een man geweest. „Als man zou ik heel wat hebben voorgesteld, en als vrouw ben ik eigenlijk een last, een probleem (...).”

Intussen probeert ze de ene na de andere liefdesrelatie uit, maar de grote liefde komt niet, of valt bij nader inzien zwaar tegen. „Het is beter niets te hebben, wat normaal is, dan dit verlangen terwijl de telefoon zwijgt en de bel aan het hek zwijgt”, schrijft ze een getrouwde minnaar. Ze neemt zich voor nooit meer samen te wonen, het huwelijk is voor haar „antiafrodisiacum nummer een” geworden. Ze blijkt goed tegen de eenzaamheid bestand, zelfs op nauwelijks bewoonde plekken in Afrikaanse landen.

Gellhorn heeft geen hang naar sentimentaliteit of zelfbeklag – ook dat bepaalt de kracht van deze brieven. Ze heeft een Italiaans jongetje geadopteerd dat maar niet wil deugen, ze dreigt als schrijfster in de vergetelheid te raken en ze wordt op 80-jarige leeftijd verkracht in Kenia – maar nooit schildert ze zichzelf als slachtoffer af. Ze recht haar rug, beschrijft in kloeke termen de gebeurtenissen en gaat over tot de orde van de dag. Toch heeft ze juist voor de losers om haar heen alle aandacht.

Een wonderbaarlijke vrouw. Uit niets blijkt dat ze zich tot het feminisme voelde aangetrokken, desondanks zou je haar een feministe kunnen noemen – een feministe tegen wil en dank.