De Notre-Dame kun je niet ‘authentiek’ restaureren

Architectuur Hoe moet je een middeleeuwse kathedraal die tijdens de eeuwenlange bouwperiode al van stijl veranderde restaureren? Is zo’n gebouw ooit echt ‘voltooid’?

De eerste herstelwerkzaamheden aan de Notre-Dame, begin mei 2019. Het dak en de spits van de kathedraal gingen in april in vlammen op.
De eerste herstelwerkzaamheden aan de Notre-Dame, begin mei 2019. Het dak en de spits van de kathedraal gingen in april in vlammen op. Foto Thomas Samson/AFP

Gevel aan de westkant van de Notre-Dame, aquarel, januari 1843, rond de periode dat Eugène Viollet-le-Duc begon aan de restauratie van de kathedraal. J.B. Lassus en Eugène Viollet-le-Duc

De vlammen waren amper gedoofd, en de exacte schade was nog niet eens vastgesteld, toen de discussie al oplaaide over de wijze waarop het herstel van de Notre-Dame in Parijs vorm zou moeten krijgen. Binnen enkele dagen werd al van een prijsvraag onder architecten gerept. Daartegenover meldden zich diegenen die juist waarschuwden tegen nieuwerwetse fratsen. Herstel ‘gewoon’ de middeleeuwse kathedraal, bij een vernield schilderij doen we dat ook, aldus een ingezonden brief in NRC van een argeloze lezer. Toen De Nachtwacht werd beschadigd, werd toch ook niet Marlene Dumas gevraagd die eigentijds aan te vullen?

Was het maar zo simpel. Van een ‘gewoon herstel’ van ‘de middeleeuwse kathedraal’ kan namelijk moeilijk sprake zijn. Een belangrijk verschil tussen De Nachtwacht en de Notre-Dame is, dat het bij een schilderij meestal om een kunstvoorwerp gaat dat binnen een kort tijdsbestek tot stand gekomen is en ook sindsdien in die vormen bewaard gebleven is. Eventuele latere overschilderingen daargelaten, die, als die ook van een groot kunstenaar afkomstig zijn, wel degelijk de restaurateur voor dilemma’s kunnen plaatsen. In de Gemäldegalerie van Berlijn bevindt zich een schilderij van Rembrandt uit 1635, Suzanna en de Ouderlingen, waarin anderhalve eeuw later door Sir Joshua Reynolds forse veranderingen zijn aangebracht. Reynolds mag dan bij ons misschien wat minder bekend zijn dan Rembrandt, in zijn eigen tijd gold hij, van 1768 tot 1792 president van de Royal Academy of Arts, zeker niet als minder. Overigens ontbreekt ook van De Nachtwacht aan alle kanten een stuk, sinds die rond 1715 voor een andere locatie dan de oorspronkelijke ‘op maat’ bijgesneden moest worden.

Wat bij schilderijen echter een zeldzaamheid is, is bij grote gebouwen schering en inslag. Middeleeuwse kathedralen zijn behalve kunstvoorwerp ook en vooral gebruiksvoorwerp, derhalve in de loop der eeuwen veelvuldig veranderd, nadat de aanvankelijke bouw al honderden jaren heeft geduurd. Ze zijn zo zelden volgens één plan tot stand gekomen. Een begindatum valt meestal nog wel te geven, een einddatum is daardoor vaak veel moeilijker. Wanneer was het godshuis, waarvan voortdurend een stukje in de steigers stond, echt ‘voltooid’?

Ontbrekende torenspitsen

Voltooid was de Notre-Dame in zekere zin nooit. De beide westtorens, waarvan de stompe vorm nu als iconisch geldt, hadden oorspronkelijk hoge stenen torenspitsen moeten krijgen, zoals de kathedraal van Chartres die wel heeft gekregen – waarbij de linker daar overigens pas zoveel later tot stand kwam, dat hij volledig van de rest afweek. Nu geldt hij als vanzelfsprekend deel van de middeleeuwse kathedraal, maar hij dateert pas uit 1513. In Rome was Bramante zeven jaar eerder al met de nieuwe renaissance Sint-Pieter begonnen.

De Notre-Dame bleef zonder zulke torenspitsen – maar wat als men die in de negentiende eeuw alsnog zou hebben aangebracht? Bij veel andere onvoltooide gotische kerktorens is dat toen gebeurd, waarbij indien mogelijk op oudere bouwplannen werd teruggegrepen. Het bekendste voorbeeld vormt de Keulse Dom, waarvan overigens ook schip en transept nog grotendeels ontbraken; een tweede het Münster van Ulm, wat ons in 1890 de hoogste ‘middeleeuwse’ kerktoren van Europa opgeleverd heeft.

De flèche (spits) van de Notre-Dame, aquarel, 1857. Eugène Viollet-le-Duc wilde de oude spits uit de 18e eeuw niet alleen herstellen maar ook “verbeteren”. Het eindresultaat was gotischer dan de authentieke gotische architectuur.

Eugène Viollet-Le-Duc.

Viollet-le-Ducs restauratie

Als het gelegen had aan Eugène Emanuel Viollet-le-Duc, die in 1844 samen met Jean-Baptiste-Antoine Lassus de prijsvraag voor de restauratie van het zwaar verwaarloosde bouwwerk gewonnen had, had ook de Notre-Dame een paar nieuwe spitsen gekregen. Het bleef hier echter bij herbouw van de in 1786 wegens bouwvalligheid gesloopte dakruiter op de viering, de fameuze flèche die nu bij de brand gesneuveld is. Dat was geen exacte reconstructie overigens, maar een ‘verbeterde’ versie daarvan: nog een stukje ‘gotischer’ dan authentieke gotiek. Niet alleen in dat opzicht heeft Viollet-le-Duc zeer fors ingegrepen; veel van de pinakels op de luchtbogen zijn van zijn hand, en in de zuidelijke transeptfaçade heeft hij de twaalfpas binnen het grote roosvenster vijftien graden gedraaid. Nagenoeg alle gebrandschilderde glazen (de drie roosvensters uitgezonderd) dateren uit zijn tijd, omdat de oorspronkelijke tijdens de Verlichting, in een streven naar meer verlichting in de donkere kerk, verwijderd waren. Dat geldt ook voor vrijwel alle uitwendige bouwsculptuur, inclusief de beroemde galerij in de westfaçade, waarin de bijbelse koningen door de sans-culotten voor Franse koningen waren aangezien, zodat ook hun standbeelden toen werden onthoofd.

De Notre-Dame droeg zodoende tot de brand van 15 april in feite een sterk negentiende-eeuws karakter – en dat vormt in Europa bij gotische kathedralen een vrij algemeen fenomeen. Wat de leek voor Middeleeuwen verslijt, is meestal sterk het product van negentiende-eeuwse middeleeuwenromantiek. Het is het resultaat van zeer ingrijpende opknapbeurten na eeuwen van achterstallig onderhoud, waarbij – mede op grond van de toen vaak nog zeer beperkte bouwhistorische kennis – menig bouwmeester zijn fantasie de vrije loop liet, in de hoop daarmee het vermeende ‘oorspronkelijke’ bouwplan beter te benaderen en zo het imperfect overgeleverde gebouw alsnog te perfectioneren.

‘Nooit bestaande vorm’ herstellen

Schetsen van Sint Petrus (links) en Sint Matthias (rechts) voor de portalen van de Notre-Dame, 1848.

Eugène Viollet-Le-Duc.

Zoals Viollet-le-Duc het zelf in 1866 in zijn Dictionnaire raisonné de l’architecture française du XIe au XVIe siècle formuleerde: „Restaurer un édifice, ce n’est pas l’entretenir, le réparer ou le refaire, c’est le rétablir dans un état complet qui peut n’avoir jamais existé à un moment donné.” („Restaureren van een gebouw is niet alleen het in stand te houden of repareren, het is ook het herstellen in een volledigheid zoals die misschien nooit op een gegeven ogenblik heeft bestaan.”) En dat laatste gold ook voor de Notre-Dame toen Viollet-le-Duc er zelf twee jaar eerder na twee decennia restaureren zijn handen van afgetrokken had. Tot zijn belangrijkste geestverwanten behoorde de architect Pierre Cuypers, en de consequenties daarvan zijn ook aan menig Nederlands middeleeuws monument te zien. Kantelen sieren sindsdien stadspoorten die ze nooit eerder bezeten hebben, de Utrechtse Dom telt meer pinakels dan in de tijd dat die nog een katholieke bisschopskerk was. En wie foto’s van de romaanse Munsterkerk in Roermond van vóór en ná Cuypers komst met elkaar vergelijkt, herkent de oude kerk amper terug. Cuypers had, getuige de talloze extra door hem aangebrachte torens, de aanmoediging tot completeren hier als een wel zeer royale vrijbrief tot het herstellen van het nooit bestaande opgevat.

Lees ook: Kunnen we het nog, kathedralen bouwen?

Bij het herstel van de Notre-Dame zal zich zodoende de discussie toespitsen op de vraag, in hoeverre ook de nu deels verloren toevoegingen van Viollet-le-Duc terug moeten keren, met diens beeldbepalende vieringsruiter als voornaamste twistpunt. Die vraag wordt nog eens extra gecompliceerd doordat de zestien beelden van de flèche in verband met de restauratie tijdelijk verwijderd waren en dus zijn gered. Wat daarmee te doen?

Vier opties

In beginsel bestaan er nu liefst vier opties, bovendien met alle mogelijke tussenvormen, omdat men voor het ene onderdeel voor de ene, voor het volgende voor een andere kiezen kan. Ten eerste een sobere, tot het puur bouwkundig noodzakelijke beperkte restauratie, dus reparatie van gewelven en dak, maar niet van de geschonden ornamentiek, en evenmin van de flèche.

Schets waterspuwer op de grote balustrade van de Notre-Dame, 1848, enkele jaren na de aanvang van de restauratie. De huidige waterspuwers op de Notre-Dame zijn veel jonger dan de kathedraal en het werk van Eugène Viollet-le-Duc.
Eugène Viollet-le-Duc.
Brandweer op de balustrade bij de waterspuwers, 17 april 2019.
Foto Christophe Petit Tesson/EPA
Links: schets waterspuwer op de grote balustrade van de Notre-Dame, 1848, enkele jaren na de aanvang van de restauratie. De huidige waterspuwers op de Notre-Dame zijn veel jonger dan de kathedraal en het werk van Eugène Viollet-le-Duc. Rechts: brandweer bij waterspuwers in april 2019.
Eugène Viollet-le-Duc, Christophe Petit Tesson/EPA

Ten tweede vervanging van het verbrande door iets nieuws in moderne vormen – een voorstel voor een glazen vieringtoren is al gelanceerd.

Ten derde een exact herstel van de toestand van voor de brand, dus inclusief de flèche en alle andere verloren 19de-eeuwse elementen, die indertijd door Viollet-le-Duc als „ooit in de Middeleeuwen bedoeld” nieuw werden geïntroduceerd.

Lees ook: Rotterdamse start-up wil Notre-Dame herstellen met 3D-techniek en eigen restmateriaal

Ten vierde een poging om alsnog een ‘echte’ middeleeuwse kathedraal te creëren, door diens middeleeuws bedoelde toevoegingen op basis van de sindsdien enorm toegenomen bouwkundige kennis voor beter-middeleeuwse in te ruilen, zoals na de Tweede Wereldoorlog bij veel verwoeste kerken in Keulen is gebeurd.

Dat laatste zou overigens geheel in de geest van Viollet-le-Duc zijn. Dat het in de praktijk vrijwel onmogelijk is om met zo’n echt betrouwbare reconstructie te komen, is een tweede – niet alleen vanwege het ontbreken van enige oorspronkelijke bouwtekening, maar ook omdat de middeleeuwse kathedralenbouwers al in de dertiende eeuw begonnen waren om zélf de inmiddels als ouderwets ervaren oudste romaanse delen uit het midden van de twaalfde door modernere, gotische te vervangen.

Thomas von der Dunk is architectuurhistoricus.