Opinie

Avontuur

Ellen Deckwitz

Afgelopen week kwam ik op het station een kennis tegen die ik al tijden niet had gesproken en omdat onze treinen toch al zwaar vertraagd waren besloten we aan de koffie te gaan. Ik nam haar op terwijl ze over haar cafeïne blies: net zestig, in plaats van blonde nu grijze krullen, nog steeds bloedmooi. Ze vertelde me dat haar leven de afgelopen jaren nogal op zijn kop had gestaan: op haar 56ste had ze een hartstilstand gehad, zo erg dat ze een aantal dagen in coma moest worden gehouden.

„Nu zit er rond mijn hart een heel netwerk aan bypasses en wil het allemaal best wel weer”, zei ze, „maar schrikken was het wel”.

„Wat was het ergste?”, vroeg ik, terwijl ik niet eens zeker wist of ik het antwoord wel wilde weten. Ze dacht even na.

„Dat ik een tweede leven kreeg.”

„Is dat juist niet geweldig?”

„Natuurlijk”, zei ze snel. „Ik ben ontzettend opgelucht dat ik er nog ben, maar je kijkt wel opeens met andere ogen naar het bestaan als je zo dicht bij de dood bent geweest.”

Ze was even stil en zei toen zacht: „Mijn man en zoons zijn in de dagen dat ik in coma lag enorm naar elkaar toe gegroeid. Er is iets tussen hen ontstaan waar ik geen deel van uitmaak, hoe veel ze ook van me houden. Laatst waren we uit eten en verslikte ik me. Ze verstijfden van angst. Ze zijn bang voor mijn lichaam geworden, de kwetsbaarheid ervan. Ze houden me in de gaten, en ik snap dat dat uit liefde is, maar het creëert ook een afstand. Ze zijn minder kritisch op me, vermijden confrontatie, want voor je het weet wind ik me op en is het voorbij.”

Ik dacht even terug aan de laatste maanden van mijn grootmoeder. Toen het duidelijk werd dat ze niet lang meer te leven had, veranderde onze verstandhouding totaal. Ik belde haar niet meer om bij te kletsen, maar omdat elk gesprek het laatste zou kunnen zijn. Ik werd aardiger, milder, vertelde alleen leuke dingen over mijn leven, niet de vervelende of verdrietige.

„Mijn hart doet het weer prima”, zei mijn kennis, „en zolang ik mijn medicatie blijf slikken kan ik volgens de dokters stokoud worden, maar binnen mijn gezin is er al iets gestorven. Een intimiteit, die voortkomt uit het naïeve idee dat je er altijd voor elkaar zult zijn. Ik kreeg een tweede leven en ik ben dankbaar, maar het is soms ook een bijzonder eenzaam avontuur.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.