Van seksueel wangedrag tot sabotage van je onderzoek

Intimidatie in de wetenschap Wetenschappelijke carrières kunnen op allerlei manieren gebroken worden, blijkt uit een verkennend onderzoek onder Nederlandse vrouwen in de academische wereld die wilden vertellen hoe ze geïntimideerd werden.

Illustratie Dirma Janse en Armand Bakx

Vrouwelijke wetenschappers van wie de leidinggevende hen ontmoedigt artikelen te publiceren, of hen geen eerste auteur laat zijn, hun ideeën steelt, hun naam van een door hen geschreven onderzoeksvoorstel schrapt. Vrouwelijke wetenschappers die maar niet hogerop komen, al hebben ze meer artikelen gepubliceerd en meer onderzoeksgeld binnengehaald dan mannelijke collega’s die wél promotie krijgen. Vrouwelijke wetenschappers die de toegang tot hun universiteit of data wordt geweigerd. Over wie hardop gezegd wordt, waar ze bij zijn of achter hun rug tegen invloedrijke collega’s, dat ze incompetent zijn.

Dat valt allemaal onder wetenschappelijke sabotage en dat is nog maar één vorm van wat onderzoekers van de Radboud Universiteit harassment in academia noemen: wangedrag en intimidatie binnen de wetenschap. In hun maandag gepubliceerde onderzoeksrapport, een allereerste inventarisatie van problemen die vrouwen in de wetenschap ervaren, beschrijven ze nog vijf varianten: seksuele intimidatie (van seksueel getinte opmerkingen en uitnodigingen tot ongewenste aanrakingen), fysieke en verbale bedreigingen, kleineren, buitensluiten en het problematiseren van ‘bijzondere behoeften’, als vrouwen bijvoorbeeld ziek of zwanger zijn, of als ze moeten kolven.

Doel van het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH), was vooral inventariseren welke soorten wangedrag en intimidatie jegens vrouwen in de Nederlandse wetenschap voorkomen en hoe die zijn ingebed in de academische cultuur. De onderzoekers richtten zich nu eerst op vrouwen omdat die meer problemen ervaren in hun wetenschappelijke carrière dan mannen en een minderheid vormen in topposities (20,9 procent van de hoogleraren is vrouw). De onderzoekers hadden vrouwen via verschillende wetenschappelijke netwerken (zoals het LNVH en het Promovendi Netwerk Nederland) opgeroepen hun verhaal te doen.

Interviews en getuigenissen

Uiteindelijk deden de onderzoekers 20 diepte-interviews en kregen ze 33 geschreven getuigenissen binnen. Die waren afkomstig van vrouwelijke wetenschappers van dertien universiteiten en wetenschappelijke instituten, van uiteenlopende leeftijden en van promovendi tot hoogleraren. Op die gegevens voerden ze een zogeheten inhoudsanalyse uit: ze identificeerden terugkerende thema’s. De intimidatie die de vrouwelijke deelnemers hadden ervaren, had weken tot tientallen jaren geduurd en was meestal een combinatie van verschillende soorten harassment. Bij ongeveer vier op de vijf vrouwen was degene die intimideerde een man en bij ongeveer vier op de vijf was het een hogergeplaatste. De steekproef was niet representatief, dus het is niet bekend of dat voor alle intimidatie in de academische wereld geldt.

De onderzoekers hebben de verhalen niet geverifieerd bij de betrokkenen die intimideerden, vertelt eerste auteur Marijke Naezer, genderstudies-onderzoeker, desgevraagd. Dat was vaak onmogelijk omdat veel vrouwen strikte anonimiteit eisten; sommigen hadden zelfs een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Als de onderzoekers dan met de als pleger aangewezen persoon zouden praten, zou die weten dat de vrouw in kwestie er met hen over gesproken had (en in geval van geheimhouding, die doorbroken had).

„We hebben wel veel e-mails en brieven gezien, waarin we zagen wat er wordt gezegd en gedaan richting deze vrouwen”, zegt Naezer. „En dit eerste verkennende onderzoek ging specifiek over de ervaringen van vrouwelijke wetenschappers. In vervolgonderzoek zou je van een aantal casussen alle perspectieven kunnen uitzoeken. Er zullen mensen zijn die zich schuldig maken aan intimiderend gedrag en dat zelf niet zo ervaren.”

Overgevoelig misschien

Ook vrouwen die duidelijk waren lastiggevallen, vroegen zich nog regelmatig af of zij zelf misschien overgevoelig waren of iets verkeerd hadden gedaan. Uit onderzoek is inderdaad bekend dat vrouwen niet snel geneigd zijn om intimidatie en wangedrag aan te kaarten. In een zogeheten meta-analyse, uit 2003, een combinatie van Amerikaanse onderzoeken, zei gemiddeld 16 procent van de vrouwelijke wetenschappers zelf intimidatie te hebben ervaren. Maar een veelvoud daarvan, 58 procent van de vrouwen in de academische wereld, zei gedrag op het werk te hebben ervaren dat volgens de onderzoekers onder seksuele of gendergerelateerde intimidatie viel.

Het nieuwe Nederlandse onderzoek is kwalitatief, niet kwantitatief, en Nederlandse percentages zijn onbekend. Ook iets voor vervolgonderzoek, zegt Naezer. „Maar ieder geval is er een te veel. En als je ziet hoe ingebed het is in de academische structuren, en hoe terughoudend vrouwen bovendien zijn om hun ervaringen als harassment te benoemen, denk ik dat dit het topje van de ijsberg is.”

De onderzoekers beschrijven ook die inbedding in de academische cultuur. Grote machtsverschillen vormden een terugkerend thema in de verhalen van de vrouwelijke wetenschappers. De sfeer mag dan vaak joviaal zijn, de carrière van promovendi en postdocs is sterk afhankelijk van hun begeleider en ook op hogere posities spelen machtsongelijkheden een rol. Als een pleger van harassment geen tegenspraak duldt, kan een angstcultuur ontstaan, zeker als diegene een ‘ster’ is die veel geld binnenhaalt; dan is het iemand die de universiteit niet graag kwijt is. Zulke mensen hebben de macht om te bepalen wie er ‘lastig’ en overgevoelig is en om gelijkgestemden voor te trekken. Daar lijden ook mannen onder, vertelden de vrouwen.

Competitie om geld en onderzoekstijd

Het helpt ook niet dat de wetenschap één grote competitie om schaarse middelen is: geld, onderzoekstijd. Als collega’s al zagen dat vrouwen gesaboteerd of anderszins geïntimideerd werden, durfden ze vaak niet te helpen: bang om ook aan de beurt te komen. De meeste deelnemers hadden wel hulp gezocht – bijvoorbeeld bij een vertrouwenspersoon, een decaan, de rector of personeelszaken – maar waren niet geholpen. Soms werd hun gevraagd of ze het zich niet inbeeldden.

Lees ook: Vrouwen in wetenschap krijgen minder onderzoekstijd

En nu? In het rapport pleiten de onderzoekers voor bewustwording van de problemen, het creëren van effectief beleid om het aan te pakken (bijvoorbeeld in de vorm van een aan het ministerie gelieerd nationaal onderzoeksorgaan), en een cultuuromslag waarbij onderzoekers meer collega’s worden dan concurrenten. „Wij hebben het probleem in kaart gebracht”, zegt Naezer. „De bal ligt nu bij de universiteiten en koepels om dit te vertalen in concrete vervolgacties.”

„We nemen deze signalen heel serieus”, zegt Pieter Duisenberg, voorzitter van de vereniging van universiteiten VSNU. „De universiteit moet een veilige omgeving zijn voor medewerkers. Elke vorm van ongewenst gedrag is onaanvaardbaar. Dit is onlangs ook door alle universiteiten onderschreven in de gezamenlijke verklaring sociale veiligheid. Universiteiten zijn dan ook blij met de drie aanbevelingen die het LNVH doet in zijn rapport. We gaan deze gebruiken als concrete handvatten om hiermee aan de slag te gaan.”

‘Hij vertelde me intieme details over zijn seksleven’

De geïntimideerde NRC sprak een van de vrouwen die geïnterviewd zijn voor het onderzoek naar wetenschappelijke intimidatie. Ze wil niet met haar naam in de krant uit onzekerheid over juridische consequenties én omdat ze toevallig op het moment van het geplande gesprek met NRC bericht kreeg dat haar klacht ongegrond is verklaard. Het is te vers, zegt ze. En ze is bang dat de universiteit denkt dat ze vanwege die ongunstige uitslag met de pers praat, wat niet zo is.

Ze was in de twintig en kort geleden gepromoveerd toen de intimidatie begon; haar begeleider was ongeveer twee keer zo oud. „In het begin waren we heel close”, vertelt ze. „Toen zei hij ook al dingen als ‘waarom ben je eigenlijk getrouwd, wij zouden zo’n leuk stel zijn’, maar toen vond ik dat nog niet raar. Maar op een gegeven moment zei hij dat ik niet hard genoeg werkte, terwijl ik ruim 40 uur per week maakte. Hij wilde ook elke dag met me overleggen en dan vertelde hij dat hij ruzie met zijn vrouw had omdat hij zoveel tijd met mij doorbracht. Dat bouwde steeds meer op.”

Hij vertelde haar intieme details over zijn seksleven en speculeerde hardop over haar seksleven. „Op een gegeven moment heb ik alles aan het hoofd van de afdeling verteld.” Dat maakte de begeleider woedend. „Hij schreeuwde dat hij door mij zijn baan zou kwijtraken. Dat voelde toen nog of ik ruzie had met een vriend, dus toen we mediation kregen heb ik al die seksuele details erbuiten gehouden.”

Maar daarna werd het erger. „Hij weigerde inzicht te geven in details van onderzoek dat we samen hadden gedaan, hij weigerde mij toegang tot onze data, ik moest hem eerst mijn email-wachtwoord geven. Toen heb ik de samenwerking beëindigd en een klacht ingediend. In de interne klachtencommissie zat een vriend van hem, dus is het aan een extern bureau gegeven. Ik ben een keer twee uur ondervraagd of we écht nooit een liefdesrelatie hebben gehad. De decaan en de onderzoeksdirecteur zeiden dat ze meteen al hadden gezien dat hij verliefd op me was.

„De commissie heeft de klacht na ruim een half jaar ongegrond verklaard, omdat het zijn woord tegen het mijne was. Terwijl méér mensen last van hem hadden. Er staat ook dat ik op mijn eigen handelwijze moet letten, heel hard om te lezen. Ik zit nu ziek thuis en hij kan me het leven in het onderzoeksveld nog best zuur gaan maken. Ik wil graag meer openheid over dit soort zaken.”

‘Vrouwen worden op vage punten afgewezen’

De advocaat Marlet Bron van AbelnBron Advocaten heeft de afgelopen twee jaar drie vrouwen bijgestaan die zich gesaboteerd voelden in hun wetenschappelijke werk. „En geen enkele man. Dat kan toeval zijn, maar het is wel bijzonder.”

Bron formuleert uiterst voorzichtig, ze wil geen details van specifieke zaken prijsgeven. Het gaat bijvoorbeeld, zegt ze, om vrouwen die in een zogeheten tenure track-traject zitten om hoogleraar te worden en regelmatig beoordeeld worden of ze door mogen naar een volgende fase. „Er zijn objectieve criteria, zoals aantallen publicaties en gekregen subsidies, en subjectieve criteria, zoals ‘inspirerend leiderschap’ en ‘realistische onderzoeksdoelen stellen’. En dan zie je dat vrouwen op zulke vage punten afgewezen worden, terwijl ze ruimschoots aan de objectieve criteria voldoen. En om zich heen zien ze dat Jan, Piet en Klaas wél doorstromen, terwijl die niet eens aan de objectieve criteria voldoen.

„Met een beroep op privacy wordt dan geen inzicht geboden in de redenen waarom die werknemers anders zijn beoordeeld. Een beroep op gelijke gevallen gelijk behandelen wordt daarmee ondermijnd. Dat is lastig en zó frustrerend voor mijn klanten en mij. Het is nooit zo zwart-wit dat mensen zeggen: we wijzen je af omdat je een vrouw bent. Soms durft een collega op te staan en te onderschrijven dat een beoordeling niet eerlijk is verlopen en dat iemand wel degelijk aan de criteria voldoet. Opvallend genoeg hebben de vrouwen die zijn afgewezen een enorme wetenschappelijke output en veel subsidies binnengehaald. Het lijkt wel alsof mensen bang zijn: straks wordt dát de maatstaf. Er wordt gefluisterd dat vanwege het diversiteitsbeleid het gevoel leeft dat vrouwen moeten worden voorgetrokken; misschien wordt er daarom extra kritisch naar vrouwen gekeken? Ik moet het feitelijk aanvliegen, pleiten voor objectieve beoordeling. Op universiteiten gaan mensen op een amicale manier met elkaar om en op papier is het allemaal heel respectvol, maar in de praktijk vertonen mensen haantjesgedrag. Soms is er jaren eerder een conflict over een auteurschap geweest en denk je: heeft het dáár misschien nog mee te maken?”

Tot rechtszaken is het nog niet gekomen. „Mensen ervaren een enorme drempel willen ze er werk van maken. Veel mensen denken: waarom zou ik gaan procederen, wat maak ik kapot? De universiteit is je werkgever, kun je daar dan nog wel blijven?” Bij twee zaken kwam het tot een „voor de vrouwen gunstig compromis”, één zaak loopt nog.