Recensie

Recensie Muziek

‘Tristan en Isolde’ is bij De Munt een oceaan van smachten

De liefdesroes van Tristan en Isolde is bij De Munt een hallucinerende trip. Dankzij het voortreffelijke orkest raakt ook de toeschouwer bedwelmd.

‘Tristan & Isolde’ bij De Munt
‘Tristan & Isolde’ bij De Munt Foto Hugo Segers

Een van de eigenaardigste aspecten van de archetypische liefde tussen Tristan en Isolde is dat ze opvlamt dankzij een toverdrankje. Wat zegt het over hun eeuwige verbintenis dat er magie aan te pas moet komen? Een van de sterkste aspecten van de nieuwe productie van Wagners Tristan und Isolde bij De Munt is de sublimatie van dat rare elixir tot iets hogers: de bewustzijnsverruimende ervaring van de liefde.

Met vijf uur, inclusief twee pauzes, behoort Tristan und Isolde tot de langere zitten in het operarepertoire, volgens Wagners overtuiging dat alleen langdurige onderdompeling een mens zou kunnen transformeren. In Brussel vlogen die vijf uur voorbij, eerst en vooral dankzij het subliem spelende Munt-orkest van chef Alain Altinoglu. Vanaf de eerste maten, de tedere aanloop naar het beroemde Tristan-akkoord, leidde Altinoglu trefzeker en precies, zonder te zwelgen, maar ook zonder dat de precisie afdeed aan wat de wagneriaanse klankwereld wil zijn: een oceaan van smachten, verlangen en zinnelijk woelen, die de toehoorder niet alleen bedwelmt, maar ook intiem deelgenoot maakt van de innerlijke turbulentie van de protagonisten.

Sopraan Ann Petersen schakelde als Isolde van meet af aan in de hoogste versnelling. In de openingsscènes met haar dienares Brangäne (sterke rol van mezzo Nora Gubisch, met een verrukkelijk laag register) klonk ze soms wat geknepen, maar Petersen ging steeds beter zingen, romiger en voller, met haar gloedvolle Liebestod als prachtige apotheose. Tenor Bryan Register introduceerde zijn Tristan ingetogener, maar met een voelbare onderhuidse kracht, als de arm van een bokskampioen in rust. Registers karaktervolle en menselijke vertolking van deze notoir zware rol was grandioos.

In het artistieke concept van regisseur Ralf Pleger en decorontwerper Alexander Polzin was de toch al minimale handeling verder geabstraheerd tot een reeks symbolistisch geladen tableaus, vol spiegelingen en schaduwwerken. Rekwisieten waren er amper – het drinken van de liefdesdrank bestond uit een gestileerde aanraking. Sowieso bewogen de personages zich traag en gestileerd, zonder oogmerk van realisme, maar aanvankelijk ook zonder de rituele kracht van bijvoorbeeld het no-theater. Zo schurkten verschillende gestes in de eerste akte tegen het ridicule aan, alleen gered door de intensiteit van de vocale en orkestrale performance.

In die eerste akte, waarin Tristan Isolde per schip ophaalt om te trouwen met zijn heer, koning Marke (de formidabele bas Franz-Josef Selig), bestond het decor uit een spiegelwand en een zoldering van wolkachtige stalactieten, die gaandeweg omlaag zakten. Dat zag er mooi uit, maar bleef ook vaag. Moesten het ijspegels voorstellen, die het liefdespaar langzaamaan vastpinden in een koude kooi?

In de zinnenprikkelende tweede akte, het grote liefdesduet, was van vaagheid geen sprake. Een kleiwitte sculptuur van kronkelende vormen domineerde de bühne. Als verdere verbeelding van het fatale kluwen van loyaliteit en liefde bloeide er een cohort eveneens kleiwitte dansers uit op, die Tristan en Isolde omspeelden in hun choreografie van versmelting en transformatie. Het visuele ritme van de bewegingen was meeslepend, met een aantal betoverende rustpunten, zoals de menselijke zeeanemoon waarmee de dansers de geliefden omkransten, en de keten van armen waarmee Tristan zijn hoog verheven Isolde aanraakte.

De logica van ereschuld en boete die het liefdespaar naar de dood voert behoort tot een archaïsche wereld die ver weg voelde in deze surrealistische Tristan. Het Wagner-pathos van getrokken zwaarden om je op te werpen ontbrak: hier heersten de verdoving en verblinding van de extase. De wereld bestaat niet meer, de nacht lonkt. In een even simpel als hallucinerend decor zong Tristan in de geweldige slotakte zijn lied tegen de zon, gekleed in een rode toga en met een gouden doodsmasker, geëchood door identiek uitgedoste dansers. Hartstochtelijk vervloekte hij de toverdrank die hem in het verderf van een onvervulbaar verlangen had gestort.

Het knappe was dat het abstracte, tijdloze heden van de enscenering continu zijn spanning behield en overtuigde als zinnebeeld van de wegebbende roes. Zo bleef de toeschouwer achter met de vraag waarvan hij nu eigenlijk getuige was geweest: een langgerekt voorspel op eeuwige liefde, of het fantasma van een dodelijke trip.