Recensie

Recensie Muziek

Pappano toont fijne antenne voor Berlioz’ suggestieve klankexperimenten

Productietechnisch zitten er de nodige haken en ogen aan Berlioz’ topzwaar bezette ‘Grande messe des morts’. Bij het Koninklijk Concertgebouworkest stond het werk voor het eerst in dertig jaar weer op de lessenaars.

Dirigent Antonio Pappano
Dirigent Antonio Pappano Foto Musacchio & Ianniello

De Franse componist Hector Berlioz (1803-69) keek niet op een instrument meer of minder. Neem zijn Requiem uit 1837: voor het rumoer van het Laatste Oordeel (verklankt in het ‘Tuba mirum’) achtte hij niet minder dan zestien pauken, tien cimbalen, vier ruimtelijk opgestelde koperensembles en 210 koorzangers noodzakelijk. Meer mocht ook.

Men snapt waarom er productietechnisch de nodige haken en ogen aan de ‘Grande messe des morts’ zitten. Bij het Koninklijk Concertgebouworkest had het werk al dertig jaar niet meer op de lessenaars gestaan. Afgelopen vrijdag kwam daar verandering in. Onder dirigent Antonio Pappano klonk wat je met gevoel voor understatement een light versie zou kunnen noemen: ‘slechts’ zes hoorns in plaats van de voorschreven twaalf. Geen acht maar vier fagotten. Niettemin waren de vereende krachten van het Groot Omroepkoor en het Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia (samen goed voor een vrijwel volledig gevuld linkerpodium) nog altijd imposant te noemen.

Berlioz’ Requiem is het onderwerp van legendarische anekdotes. In zijn memoires beschrijft de componist hoe hij bij de première haastig de bok oprende om de verraderlijke inzet van het ‘Tuba mirum’ te redden. De dienstdoende dirigent had, juist hier, een onbedaarlijke trek gekregen in een snuifje tabak.

Bij Pappano verliep de betreffende passage vrijdag vlekkeloos. Bovendien bewees de Italiaanse Brit een fijne antenne te hebben voor Berlioz’ suggestieve klankexperimenten: een spookachtig roezemoezend koor in het ‘Offertoire’, griezelige mengsels van fluiten en trombones in het ‘Hostias’, viezig boerende fagotten in het ‘Lacrimosa. In het ‘Sanctus’ en ‘Agnus dei’ wist hij feilloos de poëtische Berlioz te vinden met omfloerste nuances in strijkers en hout.

Toch kon Pappano niet verhinderen dat de mastodontische bezetting tijdens de climax zoekende passages een troebel klankbeeld in de hand werkte. De koorklank was op cruciale momenten groots en onverzettelijk, maar had dikwijls ook te lijden onder rommelig afgewerkte medeklinkers en een haperende coördinatie met het orkest.