Opinie

Dodenherdenking op basis van de feiten, want er is geen soft focus-versie van de shoah

4 en 5 mei

In haar dagboek Het verstoorde leven schrijft Etty Hillesum: „Ik zou lang willen leven om het later toch nog eens te kunnen uitleggen en als me dat niet vergund is, welnu, dan zal een ander het doen en dan zal een ander mijn leven verder leven, daar waar het mijne is afgebroken[…].” Hillesum werd op 30 november 1943 door de nazi’s vermoord in Auschwitz. Ze werd 29 jaar.

Algemeen Handelsblad-journalist Philip Mechanicus, de oom van de gelijknamige fotograaf, schrijft in zijn dagboek In dépôt: „Elke dag vraag ik mij af: hoe lang nog, gelijk ieder ander. […] Het oefenen van geduld is eigenlijk een genade. Het vraagt onbevreesdheid voor wat komt. Wie de moed heeft het leven onder ogen te zien, moet ook de moed hebben de dood onder ogen te zien.” Mechanicus werd op 15 oktober 1944 in Auschwitz-Berkenau door de nazi’s doodgeschoten. Hij werd 55 jaar.

In zijn Dagboek geschreven in Vught schrijft David Koker : „Van de week kwam ik van appèl: de bomen waren heel licht en de zon was goud en koel. Ik dacht: nu de zekerheid hebben het er levend af te brengen. En ik voelde wat dat geluk zou zijn, zonder het te bezitten.” Koker overleed door ziekte op 23 februari 1944 onderweg naar Dachau. Hij werd 23 jaar.

Op 4 mei staat Nederland stil bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Met name ook bij de moord op zes miljoen Joden in Europa door de nazi’s en hun medeplichtigen. Dit jaarlijkse herdenken is geen abstractie. De doden spreken nog steeds tot de levenden via getuigenissen zoals die van Hillesum, Mechanicus en Koker ¬– een rij namen die helaas veel langer is. Gewone mensen, zoals iedereen die door de misdadige nazi-vernietigingsindustrie werd omgebracht. Of eigenlijk: ongewone mensen door de dapperheid waarmee zij hun lot onder ogen zagen en onder woorden brachten. Hun woorden maken voor de latere generaties het amorfe begrip van herdenken persoonlijk en aangrijpend.

Daaraan leveren ook beelden van de afgrijselijke barbarij een bijdrage. Foto’s zoals op dit moment getoond worden in het Nationaal Holocaust Museum i.o.. Een luguber beeld, bijvoorbeeld, van een groepje van dertig Joodse medeburgers ’s ochtends heel vroeg, in wandelkleren inclusief rugzak, langs een stille Amsterdamse gracht weggevoerd door Duitse soldaten. Gefotografeerd met gevaar voor eigen leven door een Amsterdammer, apotheker Herman J. Wijhne, die niet wilde wegkijken. Er zijn meer dan honderdduizend Joodse Nederlandse medeburgers afgevoerd en omgebracht onder de ogen van de Nederlandse samenleving. Daarvan kan ook niet worden weggekeken. Dat heeft gevolgen voor het heden en de toekomst. Na deze geschiedenis dient Nederland waakzaam blijven tegen processen van uitsluiting van bevolkingsgroepen.

Jammer genoeg is de fototentoonstelling in Amsterdam het middelpunt geworden van een debat over het afplakken van de vier beruchte ‘sonderkommando photographs’, de enige bekende beelden wat er gebeurde rond de gaskamers, door de directie van het museum. De foto’s zouden niet in het kader passen van de Jodenvervolging in Nederland. En ze zouden een peiling doorkruisen onder de bezoekers van de Hollandse Schouwburg naar hun mening over wat wel en niet vertoond zal worden als het museum in 2022 is gerealiseerd.

Het zijn gelegenheidsargumenten, terecht betwist door de NIOD-onderzoekers die het materiaal van de Griekse verzetsstrijder Alberto Errera selecteerden. Errera fotografeerde in Auschwitz Joodse vrouwen, deels ontkleed, op weg naar de gaskamer. En andere gevangenen tijdens het cremeren van vergaste slachtoffers in de open lucht. Omdat de ovens overvol waren geraakt.

Inderdaad: gruwelijk. Niet om aan te zien. Errera is doodgemarteld door de SS na een ontsnappingspoging. Alleen al uit respect voor zijn moed, zijn wil om ondanks alles de wereld te laten zien wat hier gaande was, moeten deze beelden gezien worden. Er bestaat geen soft focus-versie van de shoah.

De viering van de vrijheid op 5 mei kan alleen betekenis krijgen tegen de achtergrond van de feiten. Die afgebroken levens, zoals Etty Hillesum schrijft, moeten met de moed van Philip Mechanicus onder ogen worden gezien. En dan toch, misschien ook voor David Koker, kijken naar het gouden licht dat soms door de bomen schijnt. En het geluk te voelen.