Recensie

Recensie Boeken

Even ronddobberen in de Dode Zee met een leuke stewardess

Eduardo Halfon Op de grote dag neemt deze schrijver de wijk naar de Dode Zee om er rond te dobberen in het zout met een aantrekkelijke stewardess die hij eerder in Guatemala heeft ontmoet.

Foto: EPA
    • Ger Groot

Er zit iets balorigs in de onlangs vertaalde verhalenbundel De Poolse bokser van de Guatemalteekse schrijver Eduardo Halfon (1971). Een wat-kan-het-me-ook-schelen-achtige branie die zich niet bekommert om veel ernst. ‘Waarschijnlijk fantaseerden we allebei over hetzelfde of over het tegenoverstelde’; ‘ik woog mijn woorden of misschien ook niet’. De lezer zoekt het maar uit en ook de schrijver maakt zich niet druk. ‘Ik heb een keer gehoord dat de gemiddelde man drie minuten van een pornofilm ziet, ik vraag me af of dat voor vrouwen anders is. Het antwoord daarop weet ik nog steeds niet.’

Die indruk is even misleidend als het literaire genre waartoe De Poolse bokser behoort. Is het wel een verhalenbundel? Of eerder een roman waarvan de verschillende episoden kriskras door elkaar zijn gezet? Dat procedé werd ook gevolgd in het schitterende prozadebuut Oogzenuw van de Argentijnse María Gainza, dat vorig jaar werd vertaald. Ook bij Halfon is de hoofdpersoon in alle episoden dezelfde, nu zelfs met naam en toenaam identiek aan de auteur van het boek. Hij is literatuurdocent, schrijver, Guatemalteek en Jood tegen wil en dank. ‘Voor mij kon de afstand tot het jodendom niet groot genoeg zijn.’

Toch komt Halfon er ten aanzien van dat laatste niet zo gemakkelijk van af, met hoeveel ironie hij ook schrijft over het huwelijk van zijn zuster met een orthodox-Joodse Israëliër in Jeruzalem, afkomstig uit Brooklyn. Op de grote dag neemt de schrijver de wijk naar de Dode Zee om er rond te dobberen in het zout met een aantrekkelijke stewardess die hij eerder in Guatemala heeft ontmoet.

Reddende woorden

Tussen alles door duikt in zijn herinnering steeds weer de Poolse bokser op over wie zijn grootvader hem in zijn jeugd vertelde. In Auschwitz opgeroepen voor verhoor, had de toen nog jonge man van de bokser precies de antwoorden ingefluisterd gekregen die hem tegenover zijn ondervragers voor de dood behoedden. ‘Woorden als redding’, schrijft Halfon. ‘Daar had ik de werkelijkheid […]. Nu moest ik haar in literatuur zien te vangen.’

Dat is voor de schrijver een even dringende opgave als zijn verhouding tot het jodendom moeizaam is. Niet voor niets begint het boek met een moedeloos makende scène in de literatuurklas van de schrijver. Een verhaal van Maupassant hebben de studenten gelezen – wat vinden ze ervan? Niet goed! Waarom niet? Weet ik niet; omdat ik het niet uitgelezen heb; omdat het onbegrijpelijk is; omdat ik er een rotgevoel van kreeg. Maar één student begrijpt wat literatuur werkelijk kan betekenen – en juist hij hangt zijn studie aan de wilgen.

Een roman of bundel vol kolderieke of lamlendige episoden later denkt Halfon ook zelf te hebben begrepen wat de kracht van de literatuur uitmaakt. ‘Het was me gelukt om via de literatuur in de werkelijkheid door te dringen’, schrijft hij na steeds weer te zijn teruggekomen op het verhaal van de Poolse bokser.

Hebreeuwse naam

Maar dan vertelt zijn grootvader plots een ander verhaal. Auschwitz had hij alleen overleefd omdat hij zo’n goede timmerman was, zegt hij in een interview. ‘Daar zul je het hebben’, schrijft Halfon ontgoocheld: ‘Literatuur is niet meer dan een goede truc. […] Wanneer we schrijven, weten we dat er iets heel belangrijks te zeggen is […] en dat we het niet vergeten moeten. Maar toch, telkens weer, blijven we het vergeten.’

Literatuur als nutteloze passie. Dat spoort met Halfons balorigheid: wat maakt het uit? Maar daarmee laat hij zijn boek niet eindigen. Dobberend in de Dode Zee met zijn stewardess vraagt hij zich af in hoeverre hij om zijn eigen leven te redden zou kunnen liegen, hoezeer hij zijn Joodse identiteit zou kunnen verloochenen die hij niettemin niet kwijt kan. Zo’n leugen zou je óók literatuur kunnen noemen. En als ‘ieder voor zichzelf [beslist] hoe hij wil overleven’, waarom dan niet met een leugen?

Maar op literatuur komt het op die prachtige slotpagina’s van dit boek niet meer aan. Helemaal aan het einde durft Halfon zijn eigen Hebreeuwse naam uit te spreken. Met tegenzin: ‘Misschien om mijn branieachtige pose te behouden’. Helpen doet het niet. Samen met de ‘literatuur’ verdwijnt op dat moment van de waarheid al het balorige. Alleen de ongewisheid blijft, nu als tegendeel van alle nonchalance. ‘Blijf jij leven?’ vraagt de stewardess. ‘Haar hand lag nog altijd bewegingloos op mijn dij,’ zo sluit Halfon zijn boek in ongewisheid af.