Oorlog en kamp gaan altijd ook over ons

Essay Arnon Grunberg „De gedachte dat de oorlog een bedrijfsongeluk was waaruit wij nu morele lessen kunnen trekken, interesseert me steeds minder”, schrijft Arnon Grunberg.

Foto’s uit WO II, makers en toedracht onbekend, uit de collectie van Sake Elzinga

‘Laten we toch niet blijven terugvallen op de oorlog”, schrijft Marga Minco, die in december op 98-jarige leeftijd de P.C. Hooft-prijs ontving, in haar roman Een leeg huis uit 1966. We zijn blijven terugvallen op de oorlog. Voor zover er een collectieve Nederlandse identiteit bestaat, is die eveneens gevormd door de herinnering aan die oorlog. Nu is collectieve identiteit een schimmige constructie, wat vermoedelijk geldt voor alle identiteit. Het verhaal dat wij over onszelf vertellen had met dezelfde ingrediënten ook anders verteld kunnen worden. Het is die ijlheid die mede debet is aan de agressie die altijd weer gepaard gaat met het discours over identiteit. Men voelt dat het eigen verhaal aan de ‘eigenaar’ ervan dreigt te ontglippen.

Met iedere stap die je in je eigen verhaal zet dreig je verder weg te zakken in het moeras van toeval en chaos, het besef dat het dikwijls de technieken van de romanschrijver zijn die de eigen geschiedenis coherent en betekenisvol maken. Waaraan ik toevoeg dat het niet het dubbelleven, maar veelal het gebrek aan dubbellevens is dat ons ziek maakt; niet de ander maar het gevangen zitten in één verhaal waaruit geen ontsnappen mogelijk is, is de hel. En omgekeerd is de behoefte de ander, de partner, te dwingen tot volledige transparantie ook weinig anders dan een verlangen om aan de onzekerheid van fictie te ontkomen. Men wil weten wie de ander echt is, men wil de waarheid.

Soms verlang ik terug naar de oorlog, je zult het absurd vinden, maar toen leefde je ergens naartoe, iedere dag opnieuw

Als ik mij oorlogsliteratuur voor de geest haal, van jeugdboeken als Oorlogswinter van Jan Terlouw tot De donkere kamer van Damokles van Hermans, dan zie ik een oneindige reeks van dubbellevens aan mij voorbijtrekken. Oorlog kan aanvoelen als een bevrijding, een avontuur dat zij die het voorrecht hebben gehad alleen vrede te kennen, gemist hebben, een intensivering van het leven. Ik herinner me eveneens uit de literatuur, en niet alleen uit de literatuur, gruwelijke geheimen die mij als kind en puber het gevoel gaven dat ik iets fundamenteels was misgelopen. Ik was niet op de proef gesteld en was daarom gedoemd tot frivoliteit.

„Vergeten?” zegt een personage in Minco’s novelle De val (1983), „ik wou dat het waar was. Erover praten kon ik ook niet, tot vandaag.”

Gruwelijker dan het geheim zelf is de onthulling ervan, maar leven met iets waarover men niet wil of kan spreken is ook leven in een isoleercel. En dan zijn er nog de geheimen die nooit onthuld kúnnen worden, omdat de dragers ervan niet meer leven. Ondanks alle boeken van historici, ooggetuigen en romanschrijvers blijft de oorlog ook een schimmenrijk.

Primo Levi schreef dat alleen zij die in de gaskamers zijn geëindigd werkelijk hebben geweten wat het kamp was. Het volledige weten is de dood. Wij bevinden ons in diverse gradaties van onwetendheid en hebben slechts de wil tot weten ter beschikking. De wil tot weten is altijd ook de wil om dát te weten wat schadelijk voor je zou kunnen zijn.

De oorlog, die oorlog waaraan Minco is blijven vasthouden, waaraan wij zijn blijven vasthouden – zij het dat dat vasthouden steeds meer is gaan lijken op een man die aan de reling van het balkon hangt – is naast al het andere, als gezegd, een intensivering van de realiteit.

Voor hen die aan de vernietiging zijn ontsnapt – maar tegen welke prijs? – zijn de consequenties van antwoorden op alledaagse levensvragen (wie ben ik, wie mag ik blijven, wat is mijn verhaal, waarop moet ik hopen, welke overtredingen mag ik begaan?) tot hun uiterste grens gedreven. Wij hebben alleen onze nieuwsgierigheid tot onze beschikking om ons een voorstelling te maken van die grenzen. En wat doet de nieuwsgierigheid? Die leest.

Lees ook: Betty Bausch-Polak heeft na de oorlog meer dan vijftig jaar niet over haar ervaringen gesproken. Maar de honderdjarige weet alles nog

Foto’s uit WO II, makers en toedracht onbekend, uit de collectie van Sake Elzinga

De moraalridder

De gedachte dat de oorlog een bedrijfsongeluk was waaruit wij nu morele lessen kunnen trekken, kortom het officiële discours van het herdenken, interesseert me steeds minder. Omdat het bij uitstek een manier is om je niet te verhouden tot datgene wat je beweert te herdenken. De moraalridder is de vijand van werkelijke betrokkenheid, want wat hem niet bevalt wil hij bij voorbaat al ritueel uitdrijven door middel van het oordeel.

Natuurlijk is de schoot die het monster van het nazisme baarde nog vruchtbaar; door welk wonder zou die opeens onvruchtbaar zijn geworden? Tegelijkertijd is het zaak te ontkomen aan de verleiding alles te reduceren tot het meest extreme, de oorlog, het kamp, alsof daar een handleiding te vinden zou zijn hoe te leven.

Ook al is het de gruwelijke waarheid dat het kamp wel degelijk een handleiding bevat voor het leven. Wij zijn hopelijk meer dan dat, maar oorlog en kamp gaan altijd ook over ons.

Wie Levi’s Is dit een mens? heeft gelezen zal zijn beschrijving van Henri nooit kunnen vergeten. Henri is een medegevangene van Levi in Auschwitz, een zeer intelligente 22-jarige die Frans, Duits, Engels en Russisch spreekt. Henri heeft drie methoden om te overleven: organisatie, medelijden en diefstal. Hij kent als geen ander de kracht van het verleiden en Levi schrijft dat het prettig en nuttig kan zijn naast Henri te zitten en met hem te spreken, dat je dan even zijn warme, uitzonderlijke persoonlijkheid voelt, maar dat van het ene op het andere moment zijn gezicht verwordt tot een grimas, hij moet weer weg, de jacht op het overleven voortzetten. En dan vergelijkt Levi Henri, zijn medeslachtoffer, met de slang uit Genesis.

Of dit oordeel te hard en onrechtvaardig is kunnen wij niet beoordelen. Ik kan alleen zeggen dat ik me vanaf het eerste moment dat ik Levi las met iets wat hartstocht moet worden genoemd met Henri heb geïdentificeerd, temeer daar Levi zo de nadruk op de verleidingskunsten van Henri legt en voor mij is schrijven eerst en vooral verleiden.

Mensen zijn vatbaar voor verleidingen, het is hoogmoedig te denken zelf immuun te zijn voor verleidingen waarvoor anderen zijn bezweken.

Als de wil tot weten de wil tot lezen is, dan zou oorlogsliteratuur ons meer moeten vertellen dan: dit nooit meer. In Een leeg huis komt het intrigerende personage Yona voor, een bijziend Joods meisje, dat de oorlog heeft overleefd. De vertelster, Sepha, ontmoet haar op 28 juni 1945 ‘in de berm’ niet ver van Zwolle. Later in het boek, om precies te zijn op vrijdag 21 april 1950 – de roman bestaat uit drie delen: donderdag 28 juni 1945, dinsdag 21 maart 1947 en vrijdag 21 april 1950 – zegt Yona: „Soms verlang ik terug naar de oorlog, je zult het absurd vinden, maar toen leefde je ergens naartoe, iedere dag opnieuw, je dacht: straks… Nu weet ik niet eens wat voor datum we hebben.”

Foto’s uit WO II, makers en toedracht onbekend, uit de collectie van Sake Elzinga

In Auschwitz was het beter

Het terugverlangen naar de oorlog, van slachtoffers welteverstaan, is een bekend gegeven. Ook in mijn leven, mijn moeder zei meer dan eens dat ze gelukkig was geweest in Auschwitz en het daar beter had gehad dan bij haar man en kinderen.

Ik heb die uitspraak geïnterpreteerd als agressie; hoe kun je het beter hebben gehad in Auschwitz – ben ik niet beter dan Auschwitz? – maar toen ik Een leeg huis las, begreep ik dat ik haar uitspraak misschien letterlijk en minder of zelfs níet persoonlijk had moeten nemen. In de zogenoemde ‘normaliteit’ zit na de extremiteit van oorlog en vernietiging iets onherbergzaams, die ‘normaliteit’ is geen thuis meer.

Ik bedenk nu dat het precies dat is wat Levi zo onacceptabel vond in Henri, dat hij van Auschwitz zijn ‘huis’ had gemaakt. Hij was er thuis en ik sluit niet uit dat mijn moeder daar ook ‘thuis’ is geweest.

En toch, zonder de oorlog tot norm te verheffen, geloof ik dat wij de gedachte serieus moeten nemen dat sommige mensen ‘thuis’ kunnen zijn in de extremiteit. Het onherbergzame zit in de normaliteit, de geschiedenis van de vernietiging – en de shoah was daar slechts een extreem voorbeeld van – heeft de normaliteit besmet zoals een virus het lichaam kan besmetten. Een andere overlevende, Jean Améry, spreekt van ‘gebroken vertrouwen’, en als herdenken iets wil betekenen dan zou men het eigen vertrouwen in de normaliteit, voor zover nodig, moeten breken.

Breken is een hard woord, dit is een harde opmerking. Toch geloof ik dat er geen andere mogelijkheid is dan dat wij de menselijke toestand als fundamenteel en onherstelbaar gebroken beschouwen, zonder dat dat impliceert dat het lijden verheerlijkt moet worden of dat wij nooit meer rechtop mogen lopen.

Wie op deze wereld onvoorwaardelijk thuis kan zijn, wie de mensheid, of nog erger: zijn eigen soort, als fundamenteel onbeschadigd beschouwt, wie dat propageert heeft, vrees ik, niet willen weten. En de geschiedenis leert ons dat niet willen weten altijd erger is dan willen weten.

In het sprookje ‘De Bremer stadsmuzikanten’ van de gebroeders Grimm komt deze mooie zin voor, een zin die mij net als Henri uit Levi’s Is dit een mens? heeft begeleid: „Iets beters dan de dood vind je overal.”

Hoe komt het dat sommigen die aan de dood zijn ontsnapt uiteindelijk niets beters dan de dood hebben weten te vinden?

De bevrijding en de vrede vielen tegen, of we wenden er akelig snel aan, en de consequenties zien we nog dagelijks. Meer en meer is de kleine breekbare vrede verworden tot volstrekte vanzelfsprekendheid. Oorlog zelf is voor de meesten van ons zoiets als paard en wagen, iets waarmee we hooguit als toeristen mee te maken krijgen. Al zijn er tegenwoordig ook mensen die denken brand te kunnen stichten en tegelijkertijd menen immuun te zijn voor de vlammen.

Ik wil het hier echter niet over hen maar over Yona hebben, een personage dat me blijft bezighouden. De vertelster zegt tegen haar: „Het ontbreekt jou aan een schutkleur, als je die niet hebt kun je het spel niet meespelen.”

Ah, het is een spel; de bevrijding is een deceptie, de literatuur heeft ons dat met overgave verteld, van Hermans tot Reve, van Wolkers tot Minco, maar als de as is neergedaald kunnen wij het spel spelen door schutkleuren aan te nemen.

Yona echter zegt dat haar leven na de bevrijding als dood-zijn voelt. We kunnen het anders formuleren, de krankzinnige hoop die nodig was om te kunnen overleven was een vorm van messianisme. De bevrijding bleek een valse messias.

Als ik aan mijn vader denk – zijn hele leven heeft hij staan bidden, staan buigen naar het oosten. Waar is het goed voor geweest?

In een interview van Michel Krielaars in NRC, in februari afgenomen, zegt Minco op Krielaars’ constatering dat „het benepen Nederland van de jaren vijftig” in haar verhalen ervan langs krijgt: „Ik was kwaad. Iedereen wilde vergeten…”

In Een leeg huis is het Yona die stem geeft aan de ellendige naoorlogse tijd. In een gesprek in het eerste deel, dat zich dus afspeelt in 1945, stelt de vertelster dat hun overleven toch iets moet betekenen. „Noem het voor mijn part een beschikking”, zegt Sepha.

Waarop Yona antwoordt: „Schei uit. Het was puur toeval.”

Puur toeval. Betekenisloos. Henri zou misschien nog kunnen zeggen: ik was een slang, maar een uitzonderlijke slang.

Yona zegt: „Als ik aan mijn vader denk – zijn hele leven heeft hij staan bidden, staan buigen naar het oosten. Waar is het goed voor geweest?”

Om je thuis te voelen in de zogenoemde normaliteit moet je die normaliteit ook ervaren als iets wat meer is, op zijn minst meer kan zijn, dan een schijntoestand. Sepha ziet het demasqué, maar trekt andere conclusies dan Yona. Het tweede deel van Een leeg huis, het deel dat ‘dinsdag 25 maart 1947’ heet, speelt zich af in Zuid-Frankrijk, waar de vertelster een affaire begint met ene Gilbert. Over hem zegt ze: „We hebben carnaval gevierd, we maken bergtochten, zwemmen en liggen in de zon, eten en drinken samen en gaan met elkaar naar bed zonder iets van elkaar te verwachten.”

De oorlog heeft het naïeve geloof in God of de seculiere God, het humanisme, doen wankelen. Het weerwoord is intimiteit zonder verwachtingen met Gilbert, die ‘neemt wat hij nemen kan’. Heden ten dage een alledaags weerwoord allicht, maar in de context van Minco’s roman een bijna heroïsche nooduitgang. Wat kan intimiteit nog zijn na de hel? Wat is liefde na Auschwitz?

Een vriendin beklaagde zich over de dialogen in Minco’s romans. Ze klonken zo bekend, afgezaagd.

Ik denk dat de herkenning, en de vermoeidheid die met die herkenning gepaard kan gaan, vooral komt omdat Minco’s stijl veel is nagevolgd. Pointls De kip die over de soep vloog, Oberski’s Kinderjaren, Carl Friedmans Tralievader, om maar drie zeer verschillende voorbeelden te noemen, zijn ondenkbaar zonder Minco. Minco schrijft alsof de oorlog alleen maar beschreven kan worden door de ogen van een kind of een bijna-volwassene.

Het niet weten, het niet kunnen weten, vereist dat alle pretentie van een werkelijk geïnformeerde verteller verlaten moet worden. Het schimmenrijk maakt van de slachtoffers kinderen, machteloze onwetenden in elk geval.

Aan het einde van Een leeg huis probeert de vertelster Yona nog een keer te verleiden iets beters dan de dood te vinden door over seks te beginnen. „Ben je weleens met iemand naar bed geweest?” vraagt ze aan Yona.

Yona antwoordt: „Wat een banale redenering. Hoe kom je daar zo op?” Ze wil weten wat deze opmerking met haar prangende vraag, waar was het allemaal goed voor, te maken heeft. Wat betekent die vraag?

En de vertelster zegt: „Misschien niets, misschien alles. Je bent nu achtentwintig.”

Misschien niets, misschien alles.

Leven is iets beters dan de dood vinden, dat geldt voor iedereen, hooguit kun je zeggen dat de wil tot weten, de wil om het onbegrijpelijke te begrijpen de overlevenden dwars zit en dat wij alleen al uit solidariteit die wil tot weten ook zouden moeten hebben. Want onbegrijpelijk kan geen conclusie zijn, daarmee houd je de vernietiging buiten de geschiedenis en zeg je eigenlijk: het is onbegrijpelijk, het gaat ons niets aan.

Onder anderen vertellen schrijvers over de lachwekkende en deerniswekkende zoektocht van stervelingen naar iets beters dan de dood. Ook Minco heeft dat gedaan, uitmuntend gedaan, ze herinnert ons eraan dat iets beters dan de dood niet het in ongerede geraakte vooroorlogse idealisme behoeft. Intimiteit zonder verwachtingen met Gilbert in Port-Vendres; een nooduitgang, ónze nooduitgang.

Maar zelfs die achteloze intimiteit, zo laat Minco zien, vereist enig geloof, gebroken zijn én toch een klein beetje vertrouwen, wil je althans met meer dan geveinsd plezier kunnen beweren: in Port-Vendres heb ik iets beters dan de dood gevonden.

Dit is een verkorte versie van een lezing gehouden in Centrum ’45 in Oegstgeest ter gelegenheid van het afscheid van therapeut Emanuel Snatager.