Opinie

    • Caroline de Gruyter

‘Nooit meer oorlog’ is relevanter dan ooit

4 mei-lezing Wat doe je als vredelievend continent dat ‘oorlog’ uit zijn vocabulaire geschrapt heeft, als omringende landen jóu de oorlog verklaren? Met dat dilemma moeten we – 75 jaar na de Tweede Wereldoorlog – in het reine komen, schrijft .

Illustratie Jenna Arts

Dodenherdenking. De vlag halfstok. Stil zijn om acht uur. Als twintiger vroeg ik me af waarom we dit allemaal deden. We hadden toch allang geen oorlog meer? We hadden de lessen toch geleerd?

Op school waren we doodgegooid met de oorlog. Oorlogsromans bij Nederlands, bandopnames van Hitler bij geschiedenis. En in april druppelden de oud-verzetsstrijders binnen. Elk jaar vertelden ze, voor de klas, in geuren en kleuren over hun heldendaden. Jaren later hoorde ik dat nergens in Europa zoveel Joden waren weggevoerd als in Nederland. Maar dat wist ik als scholier nog niet.

Er was iets potsierlijks aan die verzetshelden. Zij waren iets te luidruchtig ‘goed’. Ik had een oom die tijdens de oorlog in Londen had gezeten. Oom Leen, fluisterde mijn familie, had gevaarlijke dingen gedaan. Hij was zo getraumatiseerd dat hij er nooit over sprak. Zelfs niet met mijn tante.

Door die overdosis op school ging ik nooit naar oorlogsfilms, las ik nooit oorlogsboeken. Ik was klaar met die oorlog. Dit was mijn oorlog niet. Voorwaarts! Maar de huidige generatie, zei Goethe eens, „ontdekt steeds opnieuw wat de vorige vergeten is”.

Als jong verslaggever ging ik naar de oorlog in Joegoslavië. Als je daar vanuit Amsterdam heen reist, denk je: „Als ze even ophouden met vechten, komen ze wel tot bezinning.” Zo schreef ik er ook over: in volle verwondering. Over zatlappen bij checkpoints. Over soldaten die overdag op elkaar schoten en ’s nachts samen sigaretten smokkelden. Over een vrouw in Zagreb die sinds de vorige oorlog niets weggooide. Ze had een antieke kast vol plastic zakken en elastiekjes.

Sommige mannelijke collega’s genoten: ’s avonds in het hotel tegen collega’s vertellen hoeveel kogels er om je oren hadden gefloten – en diezelfde oorlog in je stukjes voor de krant keihard veroordelen.

Dun laagje beschaving

In 1994, na de Oslo-akkoorden, verhuisde ik naar de Gazastrook. Van daaruit bleef ik naar Joegoslavië reizen. Dat was een leerzame oefening. Ineens keek ik anders naar die oorlog. In Gaza zeiden mensen: „We kunnen niet altijd vechten. We hebben soms een pauze nodig.” De implicatie was: over een paar jaar begint het weer. Ook Joegoslaven vochten oude oorlogen uit. Ik interviewde eens de Kroatische president Tudjman. Hij pakte een antieke landkaart en wees met trillende wijsvinger naar een enorme lap Balkan. „Kijk, dit was allemaal van ons!”

Lees ook: Terug naar Kamp Westerbork met de man die er geboren werd.

In Joegoslavië en het Midden-Oosten leerde ik iets belangrijks over dat fameuze ‘dunne laagje beschaving’: namelijk dat wij dat waren. Wij, Europeanen. Als je langs de randjes van dat dunne laagje schaatste, zag je wat eronder zat. En hoe machtig en explosief dat was. Toen heb ik me voor het eerst bewust Europees gevoeld. Europees in de zin van ‘nooit meer oorlog’. Europees in de zin van liever eindeloos lullen om een moeizaam compromis te bereiken, dan naar de wapens grijpen. Met woorden schieten en niet meer met munitie. Voor mij blijft dit de essentie van de Europese integratie. De prijs die we voor dit systeem betalen, is dat Europa geen helden heeft, geen mythes, winnaars of verliezers. En geen nieuwe slagvelden – of het moest dat akelige gebouw in Brussel zijn waar nationale ambtenaren onderhandelen over de ontbijtrichtlijn of het vierde Europese spoorpakket.

Velen zeggen dat ‘nooit meer oorlog’ sleets is geworden. Er zíjn toch geen oorlogen in Europa? Bovendien kun je „jongeren niet lastigvallen met iets dat zeventig jaar geleden is gebeurd. Voor hen is dat geen argument voor de EU. Eerder een zwaktebod.” Verzin een modern thema, zeggen deze mensen. Zoals concurrentie met Azië. Of dat we samen sterker staan tegen Google en Facebook.

Duitsland en Frankrijk: in het harnas gehesen

Zeker. Toch is ‘nooit meer oorlog’ niet achterhaald. Ten eerste gaat ‘nooit meer oorlog’ over de pacificatie van Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog wilden we voorkomen dat Duitsland weer zo dominant kon worden. Driemaal voerden Duitsland en Frankrijk oorlog: in 1870, 1914 en 1940. Na 1945 werd Duitsland met Frankrijk in een harnas gehesen dat beide in bedwang moest houden. Het begon met de Gemeenschap voor Kolen en Staal, in de jaren vijftig. Ze plaatsten hun oorlogsindustrie onder gezag van een onafhankelijke, supranationale autoriteit. Dat was moeilijk. Maar het werkte. Andere landen deden mee. Na ‘Kolen en Staal’ kwamen landbouw, handel, en de interne markt. Duitsland is het meest Europese land dat er is. De ultima ratio van de Duitsers is altijd: wij richten Europa niet weer te gronde. Toch is Duitsland opnieuw het machtigste land van Europa. Precies, eigenlijk wat de Europese eenwording moest voorkomen.

Tijdens de eurocrisis hebben we gezien hoe snel de geschiedenis weer bovenkomt. Veel Duitsers wilden Griekenland uit de eurozone hebben. Toen zei Angela Merkel op televisie: dit brengt Europa in gevaar, en daar kan Duitsland om historische redenen niet verantwoordelijk voor zijn. Elke Duitser begrijpt dit meteen. Die historische verantwoordelijkheid is een zware erfenis, die blijft. Premier Rutte kan zo’n speech niet houden.

Lees ook: Essay van Arnon Grunberg over de Tweede Wereldoorlog

Ook vooroordelen blijven. Merkel wordt afgebeeld als Hitler, op krantencovers of een muur in Athene. Een onderhandelaar bij de nucleaire deal met Iran vertelde me dat de Duitse delegatie zelden zelf iets voorstelde. Toen ze het eens deden sneerde een Fransman: „De bezetting is toch voorbij?” Sindsdien belden de Duitsers naar Brussel als ze een idee hadden. Ze dachten: laat Catherine Ashton, de toenmalige Buitenlandvertegenwoordiger van de EU, het maar voorstellen, dan komt het tenminste niet van ons. Dat is een mooi en triest voorbeeld van hoe ‘Nooit meer oorlog’ nog steeds doorwerkt. En waarom de EU daar het antwoord op is.

De eerste slachtoffers van de nazi’s

Ook in Mitteleuropa is de oorlog springlevend. Ik heb vier jaar in Wenen gewoond. Anders dan Duitsers, zijn Oostenrijkers nooit gedwongen de schuldvraag te verwerken. Zij zeggen nog altijd: „Wij waren het eerste slachtoffer van de nazi’s”. Een Oostenrijkse vertelde dat ze eens werd gebeld door Yad Vashem, het Israëlische Holocaust-centrum. Ze vroegen naar haar oom. „Mijn oom is overleden”, zei ze, „kan ik u helpen?” In Jeruzalem had men ontdekt dat deze oom in de oorlog Joden had geholpen. Ze wilden hem een onderscheiding geven. De vrouw ondervroeg familie, bekenden. Maar over Joden helpen had die oom nooit iets gezegd. „Dat is maar goed ook”, zeiden ze, „anders hadden we hem als verrader beschouwd.”

Een paar jaar geleden ging ik naar Slovenië. De bankencrisis was uitgebroken. Ik praatte met een hoge ambtenaar in de schrijversclub in Ljubljana. Hij maakte een envelop open: foto’s van massagraven. Massagraven vol liberalen en conservatieven, geliquideerd door Tito’s partizanen. Of waren het „fascisten”? Na twee uur waren we nog niet bij de banken aangeland. Die man vertelde maar door. Huilend. Dat bankenverhaal was één onverwerkt oorlogsverhaal.

Lees ook Come cavalli che dormono in piedi – ‘Zoals paarden die staand slapen’ – van Paolo Rumiz, een schrijver in Triëst. Het gaat over zijn grootvader, die in de Eerste Wereldoorlog vocht. Triëst hoorde toen bij het Habsburgse Rijk. De grootvader sneuvelde aan het oostfront, net als duizenden anderen uit Habsburgse delen van Italië. Hij heeft geen graf in Triëst. Italië beschouwt hem als verrader. Triëst heeft alleen graven voor mensen die voor Italië vochten. Rumiz’ boek is een zoektocht naar die grootvader. In Polen, in Galicië. „Winnaars van moderne oorlogen zijn kort van memorie. Ze hebben zich vastgebeten in één versie van het verhaal. [...] Ze hebben hun triomfbogen, vlaggendragers, trompetten, trommels en herdenkingen. Verliezers zijn door de geschiedenis veroordeeld om hun doden in bange stilte te herdenken. Om schuldgevoelens te herkauwen. Zo houden ze de herinnering beklemmend en intiem.”

Nog een reden waarom ‘Nooit meer oorlog’ relevant blijft, is dat wij wel degelijk verwikkeld zijn in oorlogen. In Mali, Libië, de Centraal-Afrikaanse Republiek. We noemen het ‘peacekeeping’ of ‘terreurbestrijding’. Maar diep in Afrika zijn we bezig onze belangen en grenzen te verdedigen. We roken Islamitische Staat uit. Proberen migratiestromen ‘bij de bron’ te stoppen. We trainen grenswachten.

Niemand wil dit: Europeanen zijn pacifisten geworden. Zeventig jaar hebben de Amerikanen onze geopolitiek gedaan. Onder de Amerikaanse paraplu bouwden we onze naoorlogse welvaartsstaten en probeerden betere mensen te worden. Oorlog, daar stonden we boven.

Maar nu vindt Amerika het welletjes. Het wil zich gedragen als een ‘gewoon’ land, de handen vrij hebben om China te tackelen. En juist nu imploderen er allerlei landen langs de randen van Europa. We waren lang omringd door vrienden. Nu zijn sommige buurlanden ronduit vijandig. Ze willen ons verzwakken.

Europa is lang een space geweest, zei oud-president Herman Van Rompuy. Een ruimte, waarin je kon roamen en vrijheden verkennen. Grenzen werden uitgegomd. Nu wordt Europa steeds meer een place. We zijn uitgeroamd. We willen bescherming. Veiligheid. Terrein afbakenen.

Europese landen gaan 10.000 grenswachten aanstellen en praten over Europese defensie, eens een groot taboe. Oud-koloniale grootmachten als Frankrijk en Italië trokken Afrika in. Frankrijk wil aanslagen zoals op Charlie Hebdo voorkomen. Italië wil niet dat mensen in Libië op bootjes stappen. Maar Italië en Frankrijk kunnen het niet langer alleen, en roepen onze hulp in. Migratie en terrorisme zijn Europese problemen. Dus wij helpen, in internationaal verband: met de VN en, steeds vaker, de EU.

Lees ook: Nog steeds staan barbaarse horden op het punt Europa te overstromen.

Na 1945 wilden de Amerikanen vlug weer een Duits leger op de been krijgen: Duitsland werd een frontstaat tegen het communisme. Maar Frankrijk en anderen zagen elke Duitser in uniform als potentiële vijand. Daarom mislukte destijds de Europese Defensie Unie. Het wantrouwen tegen Duitse militairen is de Duitsers goed ingepeperd. Ze klagen dat hun leger niets voorstelt. Naar Mali stuurde Berlijn wat instructeurs. Frankrijk gooit bommen.

Wij willen dat Duitsland een normaal land wordt, en meedoet. Maar er zou een Europese revolutie uitbreken als een Duitser één vinger aan de nucleaire knop zou krijgen. ‘Nooit meer oorlog’ heeft ertoe geleid dat Duitsland economisch machtig is, maar militair een dwerg. Timothy Garton Ash schreef dat „de cultuurstrijd over de toekomst van Duitsland” oplaait. Vervang het woord ‘Duitsland’ maar rustig door ‘Europa’.

Europa op de puinhopen

In Syrië gebruikte Rusland vluchtelingen als politiek wapen, om Europa te destabiliseren: bombardeer half Syrië plat, en mensen vluchten met tienduizenden tegelijk naar Europa. Hoe loopt het Russische avontuur in Libië af? Ik pleit niet voor een grootscheepse militaire interventie. Maar we moeten niet naïef zijn. Wat doe je als vredelievend continent dat ‘oorlog’ uit zijn vocabulaire geschrapt heeft, als omringende landen jóu de oorlog verklaren? Dit is het Europese dilemma.

Nog een dilemma: een land als Nederland wil in Afrika niet alleen doen wat Frankrijk wil. Als we meedoen, willen we medezeggenschap. Dus halen we de EU erbij. Zodat we beleid kunnen maken voor gemeenschappelijke problemen – grensbewaking en terrorismebestrijding. Laatst werd er een dorp in Mali aangevallen. Bijna 150 vrouwen en kinderen bruut vermoord. Het was een voetnoot in de kranten. Maar dit gaat ons direct aan. We dragen verantwoordelijkheid, omdat we ter plekke zijn. Wij moeten hier, kortom, iets mee.

Het kan wel zijn dat Europeanen geen oorlog meer willen. Maar onze ‘missies’ in Afrika bewijzen: de oorlog wil óns wel. Ze dringt zich aan ons op. We moeten hiermee in het reine komen.

Dit is, in mijn ogen, de meest dringende reden waarom ‘Nooit meer oorlog’ nog altijd van toepassing is. Net nu we denken, we hebben de oorlog van het continent verbannen – nu dringt ze zich weer aan ons op.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk zei laatst: „Het Europa waarin wij leven, is gegrondvest op de puinhopen van de oorlog.” Zo is het. Kolen en staal moesten verhinderen dat we elkaar weer aanvielen. Landbouwpolitiek, dat we nog honger zouden lijden. Het zou een kolossale fout zijn om dat te vergeten. De oorlog is met ons. Nog steeds, én alweer. Aan ons de taak om daar het beste van te maken.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.