Recensie

Recensie Boeken

Het is jammer dat deze hippe filosoof over zijn eigen woorden struikelt

Markus Gabriel kan geen maat houden. Hij struikelt over zijn woorden, hele en halve inzichten buitelen over elkaar heen in een wirwar van beweringen, waardoor de lezer gaandeweg het spoor compleet bijster raakt.

Foto: HH
    • Sjoerd de Jong

De zin van denken is het sluitstuk van een ambitieuze trilogie van de jonge Duitse filosoof Markus Gabriel (1980). In zijn werk probeert hij zijn eigen vorm van ‘neorealisme’ aan de man te brengen, dat wil zeggen een wereldbeschouwing die zowel het objectivisme van de wetenschap afwijst (‘een wereld zonder toeschouwers’) als het gemakzuchtige relativisme dat in alles een mening of een constructie ziet (‘een wereld van louter toeschouwers’).

In Waarom de wereld niet bestaat (2014) bepleitte hij een soort ontologisch universalisme, dat aan kunst, literatuur en religie evenveel realiteit toekent als aan de harde wetenschap. We leven in vele ‘zinvelden’ die allemaal echt bestaan, en waarin beweringen, aan de hand van interne criteria van zo’n zinveld, waar of onwaar kunnen zijn. Daarop volgde Waarom we vrij zijn als we denken (2016), waarin Gabriel het ‘wij zijn ons brein’-denken aanvalt en de vrijheid van het bewustzijn verdedigt.

In dit laatste deel van de trilogie gaat het om het denken zelf, volgens Gabriel een zintuig, dat ons recht-streeks in contact brengt met de werkelijkheid. Anders gezegd, we zitten niet gevangen in een cerebrale kooi waar we onszelf ‘uit’ moeten zien te denken, zoals Descartes probeerde. Integendeel, juist door het denken staan we altijd al middenin de wereld. Aan de hand van dat weinig originele inzicht (scholastieke Thomisten dachten er ook al zo over) levert Gabriel kritiek op Kunstmatige Intelligentie en het idee dat ook computers denken. Alleen levende wezens kunnen denken, machines niet. Ook hekelt hij de door hippe technologie – en postmodern relativisme aangedreven fantasie dat het hele leven wel eens een simulatie zou kunnen zijn, een illusie, droom of nachtmerrie. Om dat te beweren, moet je al beschikken over een criterium van echtheid, waardoor de hele these instort.

Ratelend betoog

Helaas zijn dat ook meteen de aardigste passages in dit boek, dat lijdt aan hetzelfde fatale euvel als de twee eerdere: Gabriel kan geen maat houden. Hij struikelt over zijn woorden, hele en halve inzichten buitelen over elkaar heen in een wirwar van beweringen, waardoor de lezer gaandeweg het spoor compleet bijster raakt.

Dat is jammer, want hier hebben we eindelijk een ‘hippe’ filosoof die nu eens aandacht besteedt aan analytische filosofen die niet getapt zijn in de somberende of juist opgewekt babbelende domineeswereld van de Nederlandse publieksfilosofie. Gabriel kent zijn Quine en verwijst uitgebreid naar de geniale logicus, wiskundige en taalfilosoof Gottlob Frege.

Maar zijn weergave van hun denken is haastig en rommelig, en ook deze helden gaan al snel kopje onder in zijn almaar ratelende betoog. Met meer focus en minder geestdrift had dit boek een overtuigend pleidooi kunnen zijn voor het vrije denken, tegen blinde technologieverering of diepzinnig illusionisme. Maar als denken een zintuig is, dan lijdt dat van deze denker aan sensory overload.