Foto Jan Dirk van der Burg

Een pad maak je nooit in je eentje

Robert Moor Hoe ontstaan paden? En wat kunnen we ervan leren? Robert Moor schreef er een boek over. „Dit olifantenpad illustreert mooi hoe paden verweven zijn met psychologie.”

‘Olifant. Zebra. Daar, nog een olifant.” Als een spoorzoeker op de savanne wijst Robert Moor om zich heen. Met het verschil dat we niet op safari zijn, maar op een wandeling door Amsterdam-Oost. Via zebrapaden en olifantenpaadjes (afsnijdingen van een officieel pad) banen we ons een weg door de wijken rond het hotel waar Moor verblijft. Met zijn colbert, smartphone en nette schoenen oogt hij niet als langeafstandswandelaar. Niets aan hem verraadt dat hij duizenden kilometers door de Amerikaanse en Canadese wildernis wandelde, in een versleten shirt en met volgeladen backpack. Zijn langste tocht was de Appalachian Trail, 3.500 kilometer van zuid naar noord door de oostelijke Verenigde Staten. „Op de zwaarste dagen kon ik niet verder kijken dan de afgetrapte neuzen van mijn bergschoenen. Ik zag niets van de omgeving, behalve het pad waarover ik liep. En dus richtte ik mijn aandacht daarop. Wie had dat pad gemaakt? Welk nut hebben paden? Wat drijft mensen – of olifanten, of insecten – om ze te volgen?”

Het was het begin van een zeven jaar durend project, waarin Moor de wereld over reisde op zoek naar de wetenschap achter paden. „Overal spelen paden een rol. Binnen de biologie: hoe maken dieren paden, en met welk doel? De natuurkunde: wat is de meest efficiënte vorm van een pad? De informatica: welke parallellen zijn er tussen het world wide web en een routenetwerk? De culturele antropologie: hoe dragen volkeren hun navigatiekennis op elkaar over?”

Moor houdt stil bij een grasveld. Eroverheen loopt een smal uitgesleten spoor. „En dit olifantenpad illustreert mooi hoe paden verweven zijn met psychologie.”

Een olifantenpaadje ontstaat nooit zomaar

Robert Moor

Omdat het laat zien hoe koppig mensen hun weg kiezen?

Moor: „Een olifantenpad lijkt misschien op een individuele shortcut, maar is het allerminst. Olifanten zijn kuddedieren, en mensen ook. Weet je hoe moeilijk het is om zo’n pad in je eentje te vormen? Ik heb het geprobeerd tijdens mijn studie. Weken, maanden achtereen stak ik op dezelfde plek een stukje af, dwars over een grasveld, in de hoop dat ik een blijvend spoor zou nalaten. Maar het werkte niet. Dit pad is een mooi voorbeeld van kuddegedrag. Een olifantenpaadje ontstaat nooit zomaar: er moet een doel zijn dat meerdere mensen willen bereiken, via een zo makkelijk mogelijke route. Desire line, zeggen we in Amerika. Een lijn van verlangen tussen waar je bent en waar je naartoe wilt. Hier zie je dat het pad vanaf de bushalte naar dat appartementencomplex loopt. Heel doelgericht.”

Hoe lang duurt het voor een olifantenpad ontstaat?

„Dat hangt van heel veel variabelen af. Hoeveel mensen er lopen. Hoe zwaar ze zijn. Wat de toestand van het gras is. Wat wél bekend is: ze ontstaan vrijwel altijd op dezelfde plek. Er was in de jaren tachtig een hoogleraar stedenbouwkunde, Klaus Humpert, die op een universiteitscampus de olifantenpaadjes bedekte met nieuwe graszoden. En er ontstonden op precies dezelfde plekken weer nieuwe desire lines. Dat zegt iets over de efficiëntie ervan. Met mathematische modellen is berekend dat ze vaak een optimale vorm aannemen, zelfs al hebben ze vaak een ogenschijnlijk rare knik – ze lopen zelden helemáál recht. Niemand die goed bij zijn hoofd is, zou ooit zoiets ontwerpen. Maar het beste wat je als landschapsarchitect kunt doen, is eigenlijk: het pad volgen. Kijken waar mensen lopen, en dát vervolgens betegelen, in plaats van te proberen je eigen wil op te leggen. Gebruikmaken van de collectieve intelligentie.”

Olifanten kiezen altijd voor de optimale verbinding tussen twee punten

Robert Moor

Hoe kiezen dieren het beste pad?

„Aanvankelijk met trial and error. En als ze het dan eenmaal gevonden hebben, onthouden ze die route. Doordat ze een goed geheugen hebben, zoals olifanten, of met behulp van chemische communicatie, zoals bij mieren en bepaalde rupsensoorten. Verder heeft elke soort zijn eigen voorkeuren. Olifanten kunnen honderden meters omlopen om een zo geleidelijk mogelijke helling te vinden: één meter omhoog klimmen kost ze ongeveer vijfentwintig keer zoveel energie als één meter recht vooruit. Maar ze kiezen verder altijd voor de optimale verbinding tussen twee punten, en als er struiken in de weg staan lopen ze die gewoon omver.”

En mieren klimmen er gewoon overheen.

„Precies. Richard Feynman, natuurkundige en Nobelprijswinnaar, heeft zelfs nog onderzocht waarom mierenpaden er altijd zo recht uitzien. Hij legde een suikerklontje in zijn huis, en markeerde met kleurpotlood het pad van een mier die een suikerkorrel van het klontje terugdroeg naar het nest. Een kronkelig pad. Een tweede mier volgde het spoor, nam ook een korrel mee, maar wilde zo snel mogelijk terug en sneed allerlei onnodige bochten af. Mier nummer drie maakte een nog iets efficiëntere terugtocht, enzovoort. Na tien mieren ontstond er een keurig rechte lijn. ‘Het heeft wel iets weg van schetsen’, zei Feynman toen. Zo kunnen paden evolueren. En wij kunnen zoveel leren van mieren…”

Zoals?

„Denk aan de manier waarop we ons in grote groepen voortbewegen. Voetgangers vormen dan een soort lange slierten, net als mieren – alleen vertragen ze bij mensen om de haverklap. Pakweg elke dertig seconden stokt zo’n sliert, om dan opnieuw te vormen. Terwijl bij mieren alles doorgaat in één vloeiende stroom.

„Hoe komt dat nou, vroeg computerwetenschapper Mehdi Moussaid zich af. Hij is gespecialiseerd in groepsgedrag en zelforganisatie, en bestudeerde camerabeelden van een voetgangersgebied in Frankrijk. Daarop zag hij dat er in elke menigte wel één ongeduldige voetganger is die zigzagt tussen de anderen door, in plaats van zich geduldig te laten meevoeren. Daardoor moet vervolgens iedereen langzamer lopen. Veel beter kunnen we ons net als mieren aan de regels houden. En zo zijn er veel meer programmeurs die naar mieren kijken – de manier waarop ze onderling communiceren en waarop ze paden volgen ligt aan de basis van allerlei algoritmen. Ook internet is goedbeschouwd niets anders dan een oerwoud van paden.”

Aan het eind van het olifantenpaadje houdt Moor stil en kijkt op zijn smartphone om onze route in de app Strava vast te leggen. „Zullen we nu naar het zuidwesten lopen? Ik ben net een zonnebloem, ik beweeg het liefste met de zon mee.”

Wijzend op zijn smartphone: „Ik heb overwogen om hem weg te doen, maar ik vind de apps die erop zitten te prettig. Ik kan er topografische kaarten op bewaren, GPS-coordinaten mee opslaan… En hoe zou ik hier in de stad moeten navigeren zonder Google Maps?”

Heeft de smartphone onze verstandhouding met paden veranderd?

„Zeker. Zelfs bij inheemse Amerikanen zoals de Cherokee heeft technologie een grote impact. Vroeger ging de padenkennis bij hen over van ouder op kind: ze leerden elke boom kennen, elke bocht, elke doorsteek. Maar die kennis is aan het verdwijnen. Daarom is Lamar Marshall, een historicus, die oude routes nu aan het digitaliseren. Ruim vijftienhonderd kilometer heeft hij vastgelegd met behulp van Google Earth, en ze voorzien van informatie over bijvoorbeeld geneeskrachtige planten. Zo hoeft technologie traditionele kennis niet in de weg te staan. Al blijft er natuurlijk altijd iets unieks aan die mondelinge overlevering. Aboriginalliederen die honderden kilometers aan paden beschrijven, of Apachen die aan topogenie doen. Ze noemen een rij plaatsen op, en maken daarmee in gedachten een wandeling over een bepaald pad. Ik heb dat ook geprobeerd met mijn tocht, maar het is moeilijker dan je denkt…”

We lopen verder langs het water. Moor houdt stil om een binnenvaartschipper te vragen wat er in zijn boot zit – „Veevoer! Niet te geloven dat dat allemaal over het water wordt vervoerd hier” – en checkt op zijn smartphone hoe laat de zon onder zal gaan. Dan wijst hij op de wassende maan. „Kijk hoe groot-ie is!”

Sommige trekvogels bepalen hun route aan de stand van de sterren. Zijn dat ook paden?

„Nee. Voor mij is het verschil tussen een pad en een route dat je bij een pad een spoor nalaat. Het is een feedback loop: iedereen die het pad bewandelt, voegt er iets aan toe. Je laat een markering achter – in de vorm van voetstappen, in de vorm van een afgebroken tak, noem maar op. Dat hoeft niet altijd met opzet te gebeuren. Kijk, zie je deze platgetrapte stukken kauwgom op het trottoir? Dat zijn allemaal mensen die een spoor nalaten. Vaak neemt de kauwgomfrequentie toe als je in de buurt komt van een nachtclub of een cafe. Materiële statistieken noem ik dat. Die sporen zijn niet zozeer het pad zelf, maar maken er wel deel van uit. Ze helpen je om het landschap te lezen. Soms voel ik me net een privé-detective.”

Waar moet het ideale pad aan voldoen?

„Voor alle goede paden – of ze nu gebruikt worden door mieren of mensen – gelden drie criteria: ze zijn duurzaam, efficiënt en flexibel. Een pad dat lang meegaat maar dat te veel zigzagt of zich niet aanpast aan de verlangen van wandelaars is geen goed pad. En dan is er voor wandelpaden nog een vierde criterium: onzichtbaarheid. De meeste wandelaars zijn toch nog altijd op zoek naar ongebaande paden. Ze houden van cross country, van wildernis. Hiken bijvoorbeeld is iets wat je per definitie ver van huis doet, in de vrije natuur. Dus ze willen niet weten dat het pad er is. Tegelijkertijd wil je wel dat ze het pad volgen, want als mensen te veel korte afsteekjes gaan nemen, werkt dat erosie in de hand – zeker in steile kale gebieden. Veel wandelaars houden bijvoorbeeld niet van stapstenen omdat die onnatuurlijk ogen en het klimmen zwaarder maken. Maar als ze naast die stenen lopen, ontstaat er algauw een geul die voor bodemerosie zorgt. Je moet dus anticiperen op de wensen van de wandelaar: stippel de meest duurzame route uit waarvan je weet dat mensen die ook echt zullen volgen.”

Hebben we door al die paden nog wel voldoende de kans om te dwalen?

„Te weinig, denk ik soms. Dat zie ik zelfs al als ik naar mijn eigen leven kijk. Ik had altijd een heel vast doel voor ogen: Engelse taal en letterkunde studeren, schrijver worden. Misschien heb ik te weinig zijpaden bewandeld, misschien heb ik te veel naar het pad gekeken dat ik had uitgestippeld en te weinig om me heen.

„In het begin van de wandeling zei ik dat een mens in z’n eentje geen pad kan creëren, maar dat is niet helemaal waar. Henry Thoreau, de negentiende-eeuwse filosoof die twee jaar in de wildernis woonde, schrijft in zijn boek Walden hoe hij tot zijn schrik opeens ontdekt dat er een pad is ontstaan tussen zijn hut en de vijver, door het dagelijkse wandelingetje dat hij maakt. Het vervult hem met afschuw, want padenvorming staat voor Thoreau gelijk aan herhaling, aan sleur. Een zekere routine is goed, als we daarnaast maar blijven dwalen. En verdwalen, soms. Weet jij nu hoe we weer terug moeten lopen naar het hotel?”