De dominee en zijn kameraad

Longread Dominee Schouten nam de Bijbel letterlijk en huilde op zijn sterfbed om de streken van de duivel. Hij leefde zestig jaar samen met Jaap.

Joost Stokhof

De bus reed niet en voor de fiets was het te koud, dus had ik de trein naar Abcoude genomen en vandaar was ik gaan lopen. Over het rijwielpad langs de Rijksstraatweg zou ik nog een klein uur onderweg zijn. Een felle noordooster blies me zijwaarts in het gezicht en de eerste druppels van wat een flinke bui zou worden kletterden op het asfalt. Verderop raasde het verkeer over de A2 tussen Amsterdam en Utrecht.

„Dame.” Naast me was een busje gestopt. De bestuurder had zijn raam opengedraaid en lachte naar me. Uit de laadruimte stak een ladder. „Waar moet je heen?”

„Baambrugge.” Ik trok mijn sjaal wat dichter om mijn hals.

„Meerijden?” De bestuurder doofde zijn sigaret terwijl ik instapte en wees met zijn duim naar achteren. Hij mompelde iets over dakpannen die voor Pasen weer op hun plaats moesten liggen. „En jij? Familiebezoek?” Hij keek naar het pakje koekjes op mijn schoot.

Ik schudde nee en glimlachte naar hem. Wat moest ik zeggen? Dat ik een ruzie ging uitpraten? Met iemand die ik nauwelijks kende? „Werk”, zei ik. „Een interview.”

„In Baambrugge?”

„In Baambrugge.”

„Mooi dorp. Ik ben er geboren.” Hij knikte naar rechts. „Zie je die boerderij daar? Die was van mijn vader. Dertig koeien, kippen, schapen. Een heel andere tijd dan nu, dame. Waar moet je zijn?” Hij grijnsde toen ik het adres noemde. „Dominee Schouten. Je moet bij dominee Schouten zijn. Mijn grootvader is nog ouderling bij hem geweest. Orthodox, hè. Zeer orthodox.”

„Je grootvader?”

„De dominee. Die neemt de hele Bijbel letterlijk. Ondertussen woont hij wel samen met een man. En op zijn tachtigste is hij priester geworden. Dat wist je?”

We stonden stil voor een kleine boerderij, die tot in de dakgoten begroeid was met klimop. Ik glibberde over het met mos begroeide tuinpaadje naar de voordeur. Na een minuut of wat ging die krakend open. Daar stond hij, zwaar leunend op zijn stok. Hij leek vaag op de foto die ik van hem had waarop hij een toga droeg, maar ik zou hem nooit herkend hebben. Zijn stem galmde toen hij zei: „Ha, daar ben je.” Hij maakte een hand vrij en stak die naar me uit. „Hans.”

Het was een wonderlijke gewaarwording geweest toen hij me op een avond laat belde met een stem die trilde van ingehouden woede. „Jij schrijft dat ik homoseksueel ben.”

Hè? Hans Schouten. Leefde die nog?

„Waar háál je het vandaan? En ik heb je” – hij klonk alsof hij zou gaan huilen – „nog wel gedoopt.”

We leven al zestig jaar samen zoals Jezus met zijn discipelen leefde

Ik wist niet wat ik moest zeggen, want het was waar wat hij zei. Ik had een boek over mijn ouders geschreven en daarin stond hoe ik op een middag met hen zat te praten over de tijd dat ze net getrouwd waren en alle zondagen samen naar de kerk gingen, mijn vader streng en mager in zijn zwarte pak, mijn moeder met een hoedje op, zedig en timide. Ze woonden in Tuindorp Oostzaan in Amsterdam-Noord en Hans Schouten was hun dominee. Jaren vijftig.

„Dominee Schouten”, zei mijn vader. „Goeie vent. We zaten vaak tot diep in de nacht te ouwehoeren over het geloof en alles, je kunt het zo gek niet bedenken.”

„Hij was homoseksueel”, zei mijn moeder.

„Was?”, zei mijn vader. „Werd.”

„Was”, zei mijn moeder. „Homoseksueel word je niet. Dat ben je. Hij woonde samen met een man.”

„In de pastorie”, zei mijn vader. „Maar daar verbonden wij geen conclusies aan. Wat wisten wij nou van dat soort dingen af? Later is hij rooms geworden.”

„Jij vindt dat erg”, zei mijn moeder. „Ik vind dat leuk. Ik hoop” – ze keek mijn vader uitdagend aan – „dat hij gelukkig is geworden.”

Hans Schouten wilde dat ik een brief naar de bisschop van Haarlem zou schrijven om uit te leggen dat een en ander op een misverstand berustte. „Jaap en ik zijn kameraden”, zei hij. „We leven al zestig jaar samen zoals Jezus met zijn discipelen leefde. In kuisheid.”

Ik beloofde dat ik die brief zou schrijven en wilde ophangen, maar hij was nog niet klaar. „Je gelooft me niet. Ik hoor aan je stem dat je me niet gelooft.”

„Jawel”, zei ik. „Alleen…”

„Alleen wat?”

„…zie ik het probleem niet zo. Waarom zou je niet homoseksueel mogen zijn?”

Joost Stokhof

Albert was van huis gegaan zoals jongens in sprookjes van huis gaan, met een boterham en een schoon hemd in een dichtgeknoopte zakdoek. Bij het afscheid had zijn vader God gesmeekt zijn zoon te beschermen tegen de verzoekingen waaraan hij zou worden blootgesteld. „De HEERE is je Herder, mijn jongen. Ook al ga je in een dal der schaduw des doods, vrees geen kwaad, want Hij is met je.” Daarna had hij hem een bijbel en een zilveren gulden gegeven, de laatste die hij had.

Na drie dagen bereikte Albert te voet langs de Amstel de stad waar hij een bestaan hoopte te vinden. Hij verbaasde zich over de rijen enorme houtzaagmolens aan de overkant van het water en over het reusachtige gebouw dat hij even later passeerde. Hij vroeg aan een voorbijganger of dit het Paleis op de Dam was, maar het bleek het Amstel Hotel te zijn. Op een aanplakbiljet las hij dat een zekere Karl Marx in danslokaal Dalrust de Amsterdamse kameraden zou toespreken over de verheffing van de Werkman en de vernietiging van het Kapitaal. Verderop, vanaf de kansel in de Nieuwe Kerk, moedigde dominee Abraham Kuyper de kleine luiden aan het juk van de vrijzinnige elite af te werpen en terug te keren naar het Geloof der Vaderen.

Bij de bocht naar links ging Albert naar rechts, langs de synagoge, en belandde hij in het gewemel van karren en kruiers en talloze kramers die hun handel op straat hadden uitgestald. Hij kon zijn ogen niet geloven, zoveel mensen van het Oude Volk bij elkaar. Visventers verkochten levende vis vanuit met water gevulde bootjes. Tandeloze vrouwen prezen om het hardst hun etenswaren aan. Albert vroeg aan een van hen wat die oranje bollen in haar mand waren.

„Wat zeg je?”, zei de vrouw.

„Wat of dat binne”, fluisterde Albert.

De verkoopster begon te lachen en riep naar de vrouwen naast haar dat dit zeker weer zo’n boerenkinkel uit Duitsland was die nog nooit van appelsienen had gehoord.

„Hier, proef maar”, riep de buurvrouw terwijl ze een met schimmel bedekt exemplaar naar zijn hoofd smeet.

Hij strandde in een logement in de Lange Niezel, waar hij een hardgekookt ei en een homp brood kreeg en in de kelder mocht slapen, zij aan zij met tientallen andere jongens op zoek naar een beter leven. Ze hadden gehoord dat er in het IJ een spoorwegstation zou komen en waren met een schep onder de arm van huis gegaan. Er moesten drie eilanden worden aangeplempt.

’s Ochtends bij het betalen ontdekte hij dat hij zijn geld kwijt was. Hij voelde in zijn zakken, schudde zijn hemd nog een keer uit, maar nee. „Klerelijer”, zei de waard terwijl hij Albert bij de nek greep en de deur uit smeet.

De Schrift spreekt nergens over homoseksueel zijn, alleen over homoseksuele daden

Daar stond hij dan, september 1872, tegenover het huis waar ooit de Bickers hadden gewoond, kooplieden en burgemeesters. Het pand was gesplitst in woninkjes en winkeltjes en uit een daarvan kwam een man die de Mof werd genoemd omdat hij Frankfurter zuurkool verkocht. Hij raakte met ontferming bewogen toen hij die magere jongen op zijn kapotte klompen zag.

„Verdwaald, jong?”

Albert knikte.

„Waar zijn je ouders?”

Albert boog zijn hoofd.

„Dood zeker?”

Albert boog zijn hoofd nog wat dieper. „Allenig mien moer.”

„Wil je een boterham?”

Zo kwam het dat de grootvader van Hans Schouten bij de Mof was ingetrokken en zijn knechtje werd, en misschien wel meer, maar dat vertelt de geschiedenis niet. Dit wel: op een ochtend had Albert als gewoonlijk het ontbijt klaargemaakt en riep van onder aan de trap naar zijn baas. Toen die niet reageerde, liep hij naar boven en daar vond hij hem, hangend aan een haak.

Hans Schouten strompelde voor me uit door een nauwelijks verlichte gang en een keuken waarvan de wanden waren beschilderd met Bijbelse taferelen. „Wil je thee? Of liever koffie? Jaap komt zo thuis. Hij zal koffie voor ons zetten.”

Zijn werkkamer lag aan de straatkant en was volgestouwd met boeken. Drie, vier klokken tikten door elkaar heen, elk in hun eigen ritme. Hans Schouten wees me een plaats naast de kachel en zei dat hij me een psalm wilde voorlezen, psalm 62. „Ken je die? Een psalm van koning David.” Hij begon de tekst voor te dragen, maar ik luisterde niet. Ik dacht eraan hoe jongensachtig zijn stem klonk, hoe vrolijk hij keek, jolig bijna, en hoe dat contrasteerde met zijn door ziekte en ouderdom verwoeste lichaam.

„Nu komt het”, zei hij. „Let je op? ‘Bij u, Heer, is ontferming. U beloont ieder mens naar zijn daden.’ Dringt het tot je door wat daar staat?”

„Sorry, dominee.”

„Hans. Ik heet Hans. En ik ben priester. Hier staat dus dat we niet alleen zalig worden door ons geloof, maar ook door hoe we ons gedragen. Dat is toch geweldig?” Hij schaterde het uit. „Het doet er dus toe of je een goed mens bent of niet.”

„Eerlijk gezegd,” zei ik na een korte aarzeling, „verbaast me dat niet.”

„Mij ook niet”, zei hij, opeens ernstig. „En ik wist het natuurlijk allang. Maar waar mijn familie vandaan komt, van Putten op de Veluwe, werd daar heel anders over gedacht. Mijn grootvader groeide op in het besef dat God hem bij voorbaat verworpen had en hem geen kans gaf om het goed te maken. Laat dat even tot je doordringen. Je kunt bidden en smeken wat je wilt, maar je zult niet gered worden, tenzij je voor je geboorte bent uitverkoren. En dat zijn er maar weinig.” Even leek het alsof hij in tranen zou uitbarsten. Toen ging de deur van de werkkamer open en klaarde zijn gezicht op. „Ah, daar hebben we de goede Jaap.”

Een slanke man met een beminnelijke glimlach kwam binnen en vroeg of hij koffie zou komen brengen.

„Heel graag, Jaap. Heb je gezien dat er koekjes zijn?”

Jaap veegde een lok haar van zijn voorhoofd terwijl hij zich omdraaide en zei dat het wel feest leek vandaag.

„Waarom vertel je me die dingen, Hans?”, vroeg ik. „Wat heeft het te maken met waar ik voor gekomen ben?”

„Daar gaan we het niet meer over hebben”, zei hij. „De Schrift spreekt nergens over homoseksueel zijn, alleen over homoseksuele daden. Lees Leviticus 18 vers 22. Dat is alles wat ik erover te zeggen heb.”

De grootste klok begon krakend twaalf uur te slaan. Halverwege zetten de andere klokken in en ondertussen kwam Jaap binnen met de koffie.

„Hoe gaat het met je vader?”, vroeg Hans Schouten toen het weer stil was. Hij roerde in zijn kopje.

„Goed”, zei ik.

„Ik heb nog foto’s van hem. Wil je ze zien?”

„Graag. Maar Hans, waarom wilde je dat ik kwam?”

„Omdat het niet lang meer duurt eer ik zal sterven.” Hij keek alsof hij had gezegd dat hij morgen jarig was. „Ik wil je mijn geschiedenis vertellen.”

Albert werd klokkenmaker, want daarmee viel meer te verdienen dan met zuurkool. De Effectenbeurs en de pas geopende Bijenkorf waren vlakbij, overal kwamen kantoren, de mensen die er werkten moesten weten hoe laat het was. Hij huurde een winkel in de Nes, tussen de theaters en de tingeltangels. Hij verafschuwde de mannen die er kwamen om te kaarten en te drinken en wachtlopende politieagenten te sarren. Hij sidderde bij de gedachte aan de vrouwen die er hun lichaam te koop aanboden. Maar hij was ook een praktisch ingestelde man die wist dat voor hen toch geen redding mogelijk was. En hun klanten waren zijn klanten.

Tweeëntwintig was hij en hij had zijn oog laten vallen op de dochter van de bakker aan de Raamgracht, een vroom meisje dat hij alle zondagen in de kerk zag. De bakker had zijn toestemming voor een huwelijk al gegeven en om meer geld voor de uitzet over te houden verhuurde Albert de bedstee achter zijn winkel aan een timmerman uit Friesland. Zelf sliep hij onder de toonbank.

Na een jaar had hij genoeg gespaard om een winkel te kunnen betrekken aan de Oudebrugsteeg, gunstig gelegen ten opzichte van het bijna voltooide Centraal Station en de aanleghaven van de veerdiensten naar Volendam en Marken. Dagjesmensen en gelukszoekers kwamen in steeds grotere aantallen over het Damrak de stad in en iedereen die de eerste brug links naar de Wallen nam liep vanzelf langs zijn etalage. Hij verkocht ook horloges en juwelen, en voor zijn toonbank had hij twee stoeltjes neergezet. Zo konden zijn klanten in alle rust hun keuze maken.

De trouwceremonie was sober, met een in het zwart geklede bruid en na afloop een maaltijd bij haar ouders thuis van eendvogel en appelmoes. Alberts vader was overgekomen en las de jonggehuwden voor uit Genesis. De route van het station naar de Raamgracht had hij biddend en bevend afgelegd. Hij waande zich in Sodom en Gomorra.

’s Avonds beklommen Albert en zijn vrouw de drie treetjes achter de toonbank naar hun slaapkamertje. In de kelder waren een gootsteen en een privaat aangelegd, boven het stilstaande water van het Damrak. Twintig kinderen zouden hier geboren worden, veertien zouden er overlijden, de meesten voor hun eerste jaar. De vader van Hans Schouten zou zich zijn leven lang blijven herinneren hoe er naast de bedstee van zijn ouders altijd een wiegje stond, of een kistje met een lijkje.

Joost Stokhof

De stad groeide, de armoede was groot, de mensen werden vatbaar voor revolutie. Albert kwam in de ban van dominee Abraham Kuyper, die een kerkscheuring forceerde en met zijn volgelingen verder ging als de Gereformeerde Kerk. Er was een guerrillaoorlog aan voorafgegaan, met bezettingen en vechtpartijen en charges van de politie. Abraham Kuyper – hij zou van 1901 tot 1905 premier van Nederland zijn – vond dat de gereformeerden recht hadden op de bezittingen van de Hervormde Kerk, want zíj waren de ware gelovigen, zíj hielden vast aan de Drie Formulieren van Enigheid die in 1618 en 1619 tijdens de Opstand tegen de Spanjaarden door de Synode van Dordrecht waren vastgesteld. Wég met de dominees die Gods Woord relativeerden en het belangrijker vonden om te leven in de géést van Jezus Christus.

Paasmorgen 1886. Albert is te laat van huis gegaan en rent naar de Dam, zijn jaspanden wapperend in de wind. Hij mag naar binnen van de koster, maar moet wel op de bank tegenover de preekstoel gaan zitten, op ooghoogte met dominee Pantekoek, die de dienst leidt. Dominee Pantekoek leest het opstandingsverhaal voor en zegt dat het natuurlijk niet letterlijk moet worden begrepen. Een lijk dat tot leven komt? Dat was een boodschap, geen feit.

Het is de zoveelste keer dat het Evangelie vanaf de kansel verkracht wordt. Albert wordt ontzettend boos en begint dwars door de woorden van de dominee heen te zingen. „Houdt Christus zijne Kerk in stand, zo mag de hel vrij woeden. Gezeten aan Gods rechterhand, kan Hij haar wel behoeden.” Tachtig gelovigen die Pantekoeks preken ook spuugzat zijn staan op en lopen achter Albert aan de Nieuwe Kerk uit.

En nu, jongen, wordt het tijd dat je een meisje zoekt

Was het echt zo gegaan? Ik ging naar het archief van de Vrije Universiteit – gesticht door Abraham Kuyper – en las in het Algemeen Handelsblad dat Kuyper als een ‘oneindig grooter gevaar’ voor democratie en rechtsstaat werd gezien dan de socialist Domela Nieuwenhuis. De ruzies in de kerk waren maanden achtereen voorpaginanieuws. De bezettingen, de vechtpartijen, de rechtszaken, van alles werd verslag gedaan en geen standpunt bleef onbelicht in talloze ingezonden brieven. Maar er was niets te vinden over ene Albert Schouten uit de Oudebrugsteeg die met tachtig medestanders zingend de kerk verlaten zou hebben. Dominee Pantekoek bleek al in 1878 te zijn overleden.

De winkel in de Oudebrugsteeg was zoals Hans Schouten me die beschreven had, al was de pui vervangen door plastic en werd er pizza en kebab verkocht. Ik liep langs de toonbank naar achteren en keek naar de treetjes naar boven en beneden, volgestapeld met lege sausemmers. „Lady”, riep de jongen die vlees van het spit stond te schrapen. „Can I help you?” Meer Engels bleek hij niet te spreken en hoe begin je over het verleden van een huis in het Arabisch? Ik liep naar buiten en keek naar de andere winkels, waar friet en vibrators en condooms en wiet en nog meer kebab en pizza’s werden verkocht.

„Vreselijk, vréselijk”, riep Hans Schouten. „Heb je ook naar de gevels erboven gekeken?”

„Ongeschonden”, zei ik.

„Dat bedoel ik”, zei hij. „Alles verandert, veel blijft hetzelfde. En de spreuk? Heb je die gezien? Si deus” – zijn galmende stem sloeg dood tegen de wanden – „pro nobis quis contra nos. Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? De laatste keer dat ik er was stond het er nog, op de gevel tegenover ons huis.”

„Jij hebt daar gewoond?”

„Ik ben er geboren.” Zijn gezicht vertrok van afschuw. „De lucht daar, ik ruik hem nog. Een boosaardige damp was het, die overal doorheen trok. Achter de winkel brandde altijd kunstlicht.”

Deze keer was ik door de achterdeur binnengekomen, maar verder was alles gegaan als de eerste keer. De hartelijke begroeting, het voorlezen uit de bijbel, de koffie die door Jaap gebracht werd. En zo zou het blijven gaan tot mijn laatste bezoek, toen Hans Schouten op zijn sterfbed lag en we voorgoed afscheid namen.

„Dus je vader,” zei ik, „was daar na zijn huwelijk blijven wonen?”

„Hij had de zaak overgenomen. Zijn broer Frits was de oudste en mijn grootvader had hem aangewezen als zijn opvolger. Maar Frits, een pijnlijk verhaal, want Frits…”

Frits wilde balletdanser worden. Hij had het plompverloren tegen zijn vader gezegd, die hem op de dag dat hij van school kwam een kapotte wekker in zijn handen had geduwd. „Ik zal je leren hoe je die moet repareren.”

„Nee, vader.”

Frits was naar het circus van Oscar Carré geweest, stiekem, want zulk goddeloos vermaak was streng verboden. Daarna had zijn besluit vastgestaan. Hij keek zijn vader uitdagend aan en zei dat hij geen klokkenmaker werd. „Ik word balletdanser.”

„Wát?”, riep zijn vader. Hij sleurde Frits mee naar het reparatiehok naast de etalage. „Aan het werk, jij.” Dezelfde avond liep Frits van huis weg. De volgende dag bracht de politie hem terug. Vier jaar lang werd hij iedere ochtend door zijn vader op zijn stoel in het hok gezet. Toen was hij getemd, dacht zijn vader. Hij gaf zijn zoon een certificaat en een sigaar. „En nu, jongen, wordt het tijd dat je een meisje zoekt.”

Die nacht was Frits de deur uit geslopen. Een schipper in het Damrak die de slaap niet kon vatten zag een donkere figuur langs zijn schuit sluipen en hoorde een plons. Hij aarzelde geen moment en greep zijn pikhaak. Alle buren van de Oudebrugsteeg kwamen naar buiten om Frits druipend op straat te zien staan, tegenover zijn vader in zijn nachtgewaad. „De duivel”, riep die, met zijn armen zwaaiend. „Je bent bezeten door de duivel.” De oude juffrouw die boven de klokkenwinkel woonde zei dat hij hem naar de broeders met de blauwe koorden op de Egelantiersgracht moest brengen. „Die weten wel raad met hem.”

Op de dag dat Frits volwassen werd monsterde hij aan op een schip naar San Francisco. Jaren later, na de oorlog, kwam het bericht dat hij met zijn auto van de pier af de baai in was gereden. „Mijn vader huilde tranen met tuiten”, zei Hans Schouten. „Ik was acht en mijn broertje en ik durfden niets te zeggen. We hadden hem eerder alleen maar zo zien huilen toen de Joden uit hun huizen werden gehaald.”

„Maar Hans,” zei ik, „je vader had zijn broer een eeuwigheid niet gezien.”

„Ze correspondeerden uitvoerig met elkaar. En al die brieven…” Hij keek alsof hem iets vervelends te binnen schoot en stond kreunend op om naar de deur te lopen. „Mijn goede Jaap, kom je ons nog een keer koffie brengen?”

„Je hebt ze nog”, zei ik toen hij weer zat. „Die brieven.”

„Maar je krijgt ze niet. Ik ga ze verbranden. Ik wil niet dat iemand ze na mijn dood gaat lezen.” Hij staarde uit het raam en zuchtte. „Die brieven, mijn oom Frits, hij was…”

„Homoseksueel.”

„Dat denk ik wel, ja.”

Joost Stokhof

Het is 1935 en aan de overkant van de Oudebrugsteeg, in het huis met de Latijnse spreuk, breekt midden in de nacht brand uit. Hansje en zijn broertje worden wakker van hun moeder bij hun bed. Ze slaat een deken om hen heen en duwt hen naar buiten. „Niet kijken”, roept ze. Maar Hansje kijkt toch en ziet in het raamkozijn boven de woorden ‘pro nobis’ de buurvrouw staan. De vlammen slaan als giftige slangen uit haar haren. Haar mond is wijd open. „Spring, vrouw”, roepen de brandweermannen die met een vangzeil klaarstaan. „Spring.” De buurvrouw springt, en al doet Hansjes moeder haar handen voor zijn ogen, ze kan niet voorkomen dat hij voorgoed zal onthouden hoe de brandende pop met een doffe klap in het zeil belandt – dood.

De volgende ochtend begint het stotteren. Het wordt zo erg dat zijn moeder hem mee naar de huisarts neemt. „Dat joch moet niet in Amsterdam blijven”, zegt die. „Laat hem naar zijn grootmoeder in Putten gaan.”

Zijn vader brengt hem met de trein. De wandeling naar het huisje waar zijn grootmoeder sinds de dood van Albert woont met twee ongehuwde dochters. De hoge lucht, de geur van bloemen, de frambozenlimonade die tante Heintje voor hem inschenkt. „Zo, jongen, jij komt een poosje bij ons?” Ze zet een bord pannenkoeken voor hem neer en kijkt lachend toe hoe hij zijn buikje bol eet. Zo ongeveer heeft Hansje zich het paradijs voorgesteld.

Ik wil niet dat iemand ze na mijn dood gaat lezen

Alle nachten sliep hij bij grootmoeder in de bedstee, alle middagen na school kroop hij bij haar op schoot voor hij met de boerenjongens ging buitenspelen. Zondags ’s morgens nam ze hem mee naar de hervormde kerk en ’s middags ter nagedachtenis van Albert naar die van de gereformeerden, al had ze weinig op met dat activisme van hen, de eeuwige discussies, de haarkloverijen. Veronderstelde wedergeboorte? Natuurlijk waren haar veertien dode kinderen door hun doop geheiligd in Christus en bewaard voor de hemel. Dat was voor haar geen vraag, maar een weet. En geloven deed je met je hart, niet met je hoofd.

Meer dan een jaar bleef Hansje in Putten en tot het einde van zijn dagen zou hij zich de bijeenkomsten herinneren die zijn grootmoeder bij haar thuis organiseerde voor gelovigen uit de wijde omgeving. Er werd gebeden en gezongen, gehuild en getroost. Hans zat er op een stoofje bij en raakte doordrenkt van de tale Kanaäns. O, de blijmoedigheid van zijn grootmoeder, die zich verzekerd wist van Gods genade. O, de gal van de afgunstigen, die vonden dat ze te hoog te paard zat.

Op een zomerdag staat ze psalmen zingend andijvie te snijden bij het keukenraam, komt er een ouderling voorbij. „Grietje, hoe durft gij vrolijk te zijn? Zijt gij vergeten dat ook gij uitgeworpen zal worden in de buitenste duisternis, aldaar wening zal zijn en knersing der tanden? Je eigen lieflijkheid mocht je nog eens tot afschuwelijk braaksel komen te worden.”

Grootmoeder kijkt hem aan en zegt: „Broeder, ook waren in Juda nog goede dingen.”

„Dat begrijp ik niet”, zei ik. „Ook waren in Juda nog goede dingen. Wat bedoelde ze daarmee?”

„Lees 2 Kronieken 12”, zei Hans Schouten. „Ik heb geen zin om het je uit te leggen.”

Het deed hem elke keer weer verdriet te merken hoe weinig ik nog van de Bijbel wist en hoe ver ik verwijderd was geraakt van het geloof waarin ik was grootgebracht. Maar verbazen deed het hem niet, met een moeder als de mijne. „Heeft ze ooit met je gebeden? En dan bedoel ik oprecht met je gebeden, uit de grond van haar hart?” Hij stak zijn hand op. „Zeg maar niets.”

We zwegen een poosje en ik dacht aan de foto die ik van hem had, uit 1960. Hij staat te midden van negen andere dominees, die allemaal kijken alsof ze het aan hun maag hebben. Maar hij lacht en zijn hele voorkomen heeft iets zwierigs, alsof hij een vreugdedansje maakte toen de fotograaf de knop indrukte. Ik vroeg of hij op zijn grootmoeder leek.

„Wat betreft mijn geloofsbeleving zeker”, zei hij. „Maar de orthodoxie heb ik van mijn grootvader. Ik ben zeer orthodox.”

„Zo wonderlijk”, zei ik. „Zo in tegenspraak met je vrolijkheid.”

„Tegenspraak? Je zegt tégenspraak.” Hij begon te lachen. „O, wat verraad jij jezelf. Als je weet dat je door God geschapen bent, naar Zijn evenbeeld, en dat hij Zijn zoon voor jou gegeven heeft, en dat je een toekomst hebt na de dood, dan heb je toch alle reden om ondanks alle ellende, die ook mij niet bespaard is gebleven, buitengewoon opgewekt en blijmoedig door het leven te gaan?”

Op dat moment ging de telefoon. „Met Hans”, riep hij. „Ha, Frans, fantastisch dat je belt. Morgenochtend? Even in mijn agenda kijken. Hm, ja, dat kan, als je niet te vroeg komt, Jaap en ik moeten naar het ziekenhuis. We doen de achterdeur op slot, ja, vanwege de erfzonde, haha. De wereld is niet zoals God die bedoeld heeft. Tot morgen, Frans. Groeten aan je vrouw.”

Een oud-catechisant, zei hij toen de verbinding was verbroken. Een van de jongens met wie hij het Nieuwe Testament had bestudeerd, en ook Dostojevski en Nietzsche, om hen te wapenen tegen de nihilistische gedachte dat er geen God en geen waarheid bestond. „Dan wordt alles dus een kwestie van smaak. De een houdt van chocola, de ander van vanille. De een zegt” – zijn stem schoot omhoog – „dat de Joden dood moeten, de ander laat ze onderduiken. Afgrijselijk. Afgríjselijk.” Hij hijgde toen hij was uitgesproken.

„Jij hebt het meegemaakt”, zei ik na een stilte. „De Oudebrugsteeg is bij de oude Jodenbuurt.”

„We waren in 1936 naar de Nieuwendijk verhuisd”, zei hij. „Maar je hebt gelijk. Mijn broertje en ik zaten op de muziekschool in de Nieuwe Kerkstraat en alle andere kinderen, ik herhaal, álle andere kinderen werden weggehaald. Buren, vrienden van mijn vader, zakenpartners, handelaars op de Diamantbeurs, weg, weg, weg. En toen moest het nog oktober 1944 worden.”

„Putten”, zei ik.

„Alle mannen afgevoerd naar Neuengamme. De vaders van mijn vrienden, hun ooms, broers, neven. Nog geen vijftig keerden na de oorlog terug.”

Nog was de rampspoed niet voorbij, want de broer van Hans Schouten werd als soldaat naar Indonesië gestuurd. Na een paar maanden kwam er een telegram van het veldhospitaal in Soekaboemi: hij was opgenomen met malaria. Een dag later was hij dood. De vader van Hans Schouten, nog in de rouw om de zelfmoord van zijn broer Frits, liep naar de keuken en gaf over. Daarna kon hij niet meer eten. Na tien dagen stuurde Hans’ moeder hem naar de huisarts. De diagnose was snel gesteld: kanker.

Joost Stokhof

Maar het jonge leven van Hans Schouten was ook: padvinderij en volksdansen, fietsen naar het Hervormd Lyceum, met zijn vrienden zwerven door de stad en gratis naar bioscoop Royal tegenover de winkel, die sinds zijn vaders dood werd gedreven door zijn moeder. Op het IJsclubterrein achter het Rijksmuseum leerde hij Walter kennen, het enige kind van Joodse ouders die een kapsalon hadden in de Beethovenstraat. Daar was het ’s zaterdags zo druk dat ze wel iemand konden gebruiken voor de jassen en de koffie. Walters vader: „Niks voor jou, Hans?”

Hans: „Met plezier, meneer.”

Ze aten bij elkaar, ze logeerden bij elkaar, ze gingen een groep welpen leiden in de Borgerstraat. De vorige leiders waren ontslagen omdat ze hun hartelijkheid ten aanzien van de jongens wat al te lichamelijk hadden laten blijken. Ze waren elkaars beste kameraden, tot Walter naar San Francisco ging om zijn kappersopleiding te voltooien en spoorloos verdween. Politie, detectives, oproepen in de krant, het haalde niets uit. Hij was en bleef weg. Walters moeder weende in Hans’ armen en stierf al spoedig van verdriet. Walters vader vertrok naar zijn broer, die in 1940 naar Engeland was gevlucht. De rest van de familie was vermoord.

Op zijn achttiende ging Hans theologie studeren, aan de Gemeente Universiteit. Dat hij na een jaar switchte naar de Vrije Universiteit kwam door wat hij zijn grootvadermoment zou gaan noemen: het moment waarop hij voelde hoe de rebelse geest van Albert in hem wakker werd.

Maar de orthodoxie heb ik van mijn grootvader. Ik ben zeer orthodox

Oudemanhuispoort, de collegezaal tegenover de ingang. Conrad Mönnich, hoogleraar godsdienstwetenschap, behandelt de apostolische geloofsbelijdenis. ‘Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.’ Als hij is aangekomen bij ‘geboren uit de maagd Maria’ pauzeert hij en kijkt zijn studenten vorsend aan. „Zijn er onder u heren die geloven dat het hier om een biologisch feit gaat?”

Twee studenten steken hun hand op, een van hen is Hans. Hij gaat staan. „Ja, professor, dat geloof ik. Ik geloof in de maagdelijke geboorte van Jezus Christus, want zo staat het in de Schrift, Gods woord.”

„Heren”, zegt professor Mönnich, „meldt u zich hiernaast bij de medische faculteit, afdeling gynaecologie, en vraag of ze u ter zake willen voorlichten.”

Hans wordt ontzettend boos en roept met luide stem: „Sterf.”

Een paar dagen later krijgt hij een brief thuis met een consilium abeundi. Hij is van de universiteit gestuurd en kan nergens meer terecht. Het is dat een andere hoogleraar de straf te hard vindt en aanbiedt te bemiddelen. Professor Mönnich is bereid te zeggen dat hij zijn studenten geprovoceerd heeft. Hans moet toegeven dat hij de hoogleraar beledigd heeft, wat hij ten zeerste betreurt.

Hij zit met een plakboek op de bank en roept nog voor ik binnen ben dat ik naast hem moet komen zitten. „Kijk, hier. Zie je dat ik het ben?” Een jonge Hans Schouten in jacquet. Blonde kuif, gouden bril, sjerp. „Ik was rector geworden van de senaat.” Op de volgende bladzij staat hij met de andere leden. Vijf magere jonge mannen, de gezichten strak in de plooi. Eronder een kaartje: ‘Nil desperandum deo duce.’ „Wanhoopt niet, want God leidt. Dat was onze zinspreuk. Ik zat in het dispuut Akademeia, een gezelschap van jongens die graag…”

„…zaten te filosoferen”, zeg ik.

„Filosoferen? Wij?” Hij schatert het uit. „Rammen en vechten. We waren een ram- en vechtdispuut. Als jongens van andere disputen iets deden wat ons niet beviel, en dat was al snel, dan werden ze afgedroogd.”

Hij bladert verder en ik zie foto’s van feesten en partijen, van diners en drinkgelagen met zustercorpora in binnen- en buitenland. Ondertussen denk ik aan de stoet dominees die ik in mijn kinderjaren voorbij heb zien trekken, de sombere gezichten, de donderende stemmen. „Die twee werelden”, zeg ik. „Ik kan ze niet bij elkaar krijgen.”

„Voor mij was dat geen probleem”, zegt hij terwijl hij zijn hoofd schuin houdt om de krantenberichten te lezen waarin verslag wordt gedaan van zijn bevestiging in het ambt van Dienaar des Woords in het overvolle kerkje van Tuindorp Oostzaan. Bij het dichtslaan van het plakboek rolt er een foto uit van het interieur van de kerk. De banken zijn tot de laatste plaats gevuld met broeders en zusters die opkijken naar dominee Schouten op de preekstoel. „Kijk eens goed”, zegt hij.

„Wat moet ik zien?”

En dan zie ik ze. Mijn vader en moeder. Mijn oom en tante. Mijn opa en oma. En mijn andere opa en oma.

Het was niet zijn plan geweest om dominee te worden. Hij had willen promoveren in Oxford, zoals zijn hoogleraren hem hadden aangeraden. Maar op een avond voor Pasen hadden drie ouderlingen uit Tuindorp Oostzaan voor de deur gestaan. Hij kende hen wel, hij kwam wel eens in Tuindorp om een preekbeurt over te nemen. Op de fiets ging hij erheen, de slippen van zijn jacquet vastgezet met knijpers. Wat kwamen de broeders doen? Ze moesten hem persoonlijk spreken, zeiden ze. Dus: alle trappen op naar zijn kamertje boven de juwelierszaak. Twee broeders gingen op het opklapbed zitten, voor de derde was er een stoel. Zwijgend legde die een beroepsbrief voor hem neer. Hans Schouten viel bijna om van de schrik, maar hij had de moed niet om nee te zeggen. Je kon wel eindeloos bidden om Gods leiding, maar wat deed dat ertoe als je vervolgens niet naar Zijn tekenen luisterde?

Hij woonde al in de pastorie toen hij Jaap tegenkwam, op het Damrak. Ze hadden elkaar al eens ontmoet op Marken, waar Jaap voorzitter was van de jongelingsvereniging. Hij had Hans uitgenodigd om te komen vertellen over zijn ervaringen als predikant in militaire dienst.

„Hé, Jaap!”

„Dominee!”

„Hans. Ik heet Hans. Wat kijk je zuur, joh. Wat is er aan de hand?”

Jaap, bouwkundig tekenaar, was van zijn kamer gezet omdat hij pianospeelde. Waar moest hij heen?

Voor de Heer is er geen enkel probleem, zolang je je onthoudt van de homoseksuele praxis

Naar Tuindorp, want Hans had ruimte zat en vond het gezellig, een huisgenoot. Niemand in Tuindorp Oostzaan die er wat van zei. „Behalve jouw vader”, zei Hans Schouten. „Ik hoorde later dat hij tegen had gestemd toen ze mij wilden beroepen.”

„Laat me raden”, zei ik. „Een dominee hoorde een vrouw te hebben.”

„Een man van principes, je vader. Mij sprak dat wel aan. Toen de anderen voor stemden, liet hij zijn bezwaar vallen, want dat was democratie. O ja, ik wilde je nog een foto van Jaap en mij laten zien, waar heb ik die gelaten?”

De foto was achter de kaft van een Grieks psalmboek gestoken. Twee jonge mannen in de kracht van hun leven, Jaap knap als een filmster. „Mooi, hè. Die had mijn moeder van ons genomen in de pastorie. Zij kwam zondags bij ons en dan nam ze taartjes mee. Ach, wat was dat toch gezellig altijd.”

„Gekke vraag”, zei ik. „Maar homoseksualiteit…”

„Moeten we het daar weer over hebben?”

„…werd gezien als een ziekte en had jij het idee…”

„Ik begrijp waar je heen wilt. Het antwoord is nee. Ik kende ze wel, de jongens die zogenaamd genezen waren. Een van hen was de EHAH begonnen, Eerste Hulp Aan Homofielen. Als je maar genoeg bad en in de Bijbel las, zou Jezus je verlossen. Ik zei tegen die jongen, Johan heette hij, ik zei: Johan, laten we naar het Binnengasthuis gaan, afdeling kanker, en tegen de patiënten zeggen dat de Heer hen zal genezen als hun geloof maar diep genoeg is. Wat een onzin. Als iemand echt homoseksueel is, trek je dat er met geen tien paarden uit.”

„Dus?”

„Moet je het aanvaarden. Voor de Heer is er geen enkel probleem, zolang je je onthoudt van de homoseksuele praxis.”

Daarna bleef het lang stil en ik dacht erover om te vragen of hij het niet jammer vond: een leven zonder seks. Maar ik deed het niet.

Joost Stokhof

De buurman kwam binnen, een man van een jaar of zestig. Hij bleek hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit te zijn. Hij informeerde naar Hans’ gezondheid – Hans’ hoest was de laatste tijd erg hardnekkig – en het gesprek kwam op het gereformeerde leven in Amsterdam, hoe obsoleet het was geworden, hoe snel het was gegaan.

„Verbijsterend”, zei de buurman.

„Verbijsterend”, zei Hans Schouten. „Opkomst, groei, bloei – je denkt dat het voor altijd zo blijft en opeens realiseer je je dat het verval allang is ingezet.”

„Wanneer, Hans?”, vroeg ik. „Wanneer begon het verval?”

„In 1963.”

„Toen al?”, zei de buurman.

„Ik was predikant in Emmeloord, tweeduizend zielen, en er verscheen een boekje van een Anglicaanse bisschop met de naam” – hij keek alsof hij gal proefde – „John A. T. Robinson. Die beweerde dat we God niet daarboven moesten zoeken maar in onszelf en dat de evangeliën onbetrouwbaar waren. Dat boekje, Honest to God, werd in korte tijd een enorme hit onder gereformeerden en ik dacht: nu gaat er iets grondig mis. Het begint weer, dat vrijzinnige gedonder. Iedereen zijn eigen exegese van de Bijbel en de kerken lopen leeg. Toen werd het Pasen en ik zei in mijn preek dat het ontstaan van de kerk volstrekt ondenkbaar was als Jezus niet werkelijk was opgestaan, lichámelijk was opgestaan. Ik voelde dat die boodschap bij velen al niet meer aankwam.”

„Hoe denk jij daar eigenlijk over”, vroeg de buurman aan mij.

„Ik? Ik eh…”

„Zij vindt het onzin”, zei Hans Schouten.

Uiteindelijk moet er één club zijn die zegt hoe het zit en dat is de paus, de Plaatsbekleder van Jezus Christus op Aarde

De deur ging open, Jaap kwam binnen met de koffie. Voor ieder van ons had hij een plakje cake op een bordje gelegd en er vruchtjes uit blik op gedaan. „Slagroom?” Hij hield de spuitbus omhoog.

„Ach, mijn goede Jaap”, zei Hans Schouten. „Natuurlijk willen we slagroom.”

Toen Jaap weer weg was vroeg de buurman of ik het verhaal Drie kleine vossen kende. „Een sprookje”, gokte ik. Het bleek een boekje van Abraham Kuyper te zijn en daar stond volgens hem iets in dat mij zou kunnen interesseren.

„Hooglied 2 vers 15”, zei Hans Schouten. „Vangt gijlieden ons de vossen, die kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.”

„Begrijp je?”, zei de buurman. „Die vossen symboliseren de bedreigingen van ons geloof, en Kuyper zegt dan: kijk, de gereformeerden…”

Terwijl de buurman uitlegde dat vooral de gereformeerden gevoelig waren voor de vos van het intellectualisme en alles met hun verstand wilden beredeneren, dacht ik aan het verhaal dat ik over Kuyper gelezen had in een biografie van Jeroen Koch. Hij woonde op de Prins Hendrikkade, in een majestueus pand dat door zijn volgelingen was betaald, en hij had een beroep gekregen van het Friese gehucht Oosthem. Moest hij het aannemen of niet? Wat was des Heeren wil? De worsteling viel hem zo zwaar dat hij zijn vrouw beval het huishouden, met zeven jonge kinderen, stil te leggen. Hij trok zich terug in zijn studeerkamer om te vasten en te bidden. Pas toen hij ‘uit zijn bangen strijd’ verlost was en God hem had laten weten dat Hij hem in Amsterdam nodig had, mochten de gordijnen open en kwam het gezin weer tot leven.

„Sorry”, zei ik tegen de buurman. „Het is niet aan mij besteed.”

Toen hij weg was vroeg ik aan Hans Schouten waarom hij priester was geworden.

„Vanwege het gezag”, zei hij. „Toen iedereen zijn eigen waarheid ging creëren, ben ik teruggekeerd naar de kerkvaders. En dan zie je dat de alleroudsten, in de vierde eeuw na Christus, al een duidelijke gezagsstructuur hadden gevestigd. Daar heb ik me bij gevoegd. Uiteindelijk moet er één club zijn die zegt hoe het zit en dat is de paus, de Plaatsbekleder van Jezus Christus op Aarde.”

Het sterven begon na Kerst, kort nadat ik een mis van hem had bijgewoond in Abcoude. Hij had gezongen als een operazanger, in het Latijn, gekleed in een paarse kazuifel. Begin januari belde hij om te zeggen dat hij longontsteking had. Die bleek het gevolg van een tumor te zijn. De artsen gaven hem geen hoop.

Zijn bed stond bij het raam, waar voorheen zijn stoel gestaan had. Zijn gezicht was al bijna een dodenmasker. Ik vroeg of hij bang was. Hij zei dat hij bang was voor de nacht. Dan zag hij de mannen en vrouwen en de kinderen weer die waren weggevoerd en vergast. Hij zag zijn broer die voor een zinloze oorlog naar Indonesië was gestuurd, en voor de duizend maal duizendste maal brak zijn hart. Hij voelde zich, zei hij, als de heilige Antonius die werd bezocht door de duivel. ‘Hans! Je weet toch dat goed en kwaad volstrekt willekeurig verdeeld worden.’ Hij dacht aan de Poolse rabbi die zijn studeerkamer uit was gelopen en had geroepen dat er geen God was en geen gerechtigheid. „Op dat moment was hij gestorven. Vreselijk, vréselijk.”

Ik vroeg of hij daar ook bang voor was, maar hij zei: „Nee.” De priester die gisteren was geweest had wat wijwater voor hem achtergelaten, kijk, daar in de vensterbank. Als de angst toesloeg doopte hij zijn hand erin en sloeg hij een kruis. Hij lag hier in grote dankbaarheid voor het leven dat hem gegeven was en dat hij nu aan zijn Schepper zou teruggeven. „Dat is een geloof dat ik jou en de jouwen van harte zou gunnen. Echt, echt zou gunnen.” Toen legde hij zijn hand op mijn arm en zei dat ik moest gaan, want hij was moe. Wilde ik aan Jaap vragen of hij hem een glaasje appelsap bracht?

Ik liep langs de Rijksstraatweg terug naar Abcoude, de route die grootvader Albert in 1872 op zijn klompen gelopen. Het was weer bijna Pasen, overal zongen de vogels. Halverwege passeerde ik de buitenplaats Postwijck, met daarachter het kerkje dat in 1861 was gebouwd met geld dat vrouwe Johanna Judith Zeelt aan de gelovigen van Baambrugge had nagelaten. Het waren volgelingen geweest van dominee Hendrick de Cock, die zich in 1834 al had afgescheiden van de Hervormde Kerk, omdat zijn kritiek op vrijzinnigheid werd beantwoord met hoge boetes, gevangenschap en detachering van tien soldaten in zijn huis.

Hans Schouten had jarenlang gepreekt in Postwijck en het kerkje had zondag na zondag vol gezeten, tot ook hier de mensen begonnen weg te blijven. „Als de laatsten hun hoofd op het kussen leggen,” had hij bij het afscheid tegen me gezegd, „dan is het voorbij.”

Hij had zijn schouders opgehaald en gelachen. Daarna had hij gehuild, bitter gehuild omdat alles waar hij in geloofde nog maar voor zo weinig mensen betekenis had.

Correctie (13 mei 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond ten onrechte dat dominee Hendrik de Cock zich in 1834 van de Nederlands Hervormde Kerk afscheidde vanwege de vrijzinnigheid van predikanten die zeiden dat de slang nooit echt tot Eva gesproken had. Hij scheidde zich af omdat zijn kritiek op vrijzinnigheid werd beantwoord met hoge boetes, gevangenschap en detachering van tien soldaten in zijn huis.